Door Jef van Gool
De novelle 'Een veelbelovende jongeman', opgenomen in Een landingspoging op Newfoundland, is door Willem Frederik Hermans niet minder dan zes keer herschreven.
De romans Conserve en De tranen der acacia's heeft hij daarentegen slechts één keer geschreven, direct op de typemachine, waarna hij het resultaat, met enkele verbeteringen in inkt, zo had opgestuurd.
Hij was ervan overtuigd dat latere geslachten wel de gaten en barsten zouden zien in wat hij voor de vuist weg had geschreven. "Als ik ooit de literatuurgeschiedenis inga, zal het misschien wezen als Bilderdijk: niet helemaal niets, maar toch voor 'moderne' mensen (anno 2000) volkomen onverteerbaar."
Verscheur deze brief!
Hermans schrijft dit op 16 augustus 1951 in een brief aan Gerard Reve, waarin hij vervolgt dat hij slechts bij vlagen zo bescheiden is over zijn oeuvre. "Meestal vervult mij, vooral als ik met schrijven bezig ben, een grenzeloze hoogmoedswaanzin, die ik trouwens ook naderhand maar blijf aanhangen, want door voor de buitenwereld in het stof te gaan liggen, zou ik de kwaliteit van wat ik geschreven heb toch niet kunnen verbeteren, al zou het mij misschien minder vijanden in de critiek bezorgen."
In de brief gaat hij verder in op de begrafenis van J. van Oudshoorn, die hij samen met zijn uitgever Geert van Oorschot heeft bijgewoond.
Van Oorschot is een man die hij hogelijk zou waarderen, liefhebben zelfs, als die hem niet zo sterk aan zijn vader zou herinneren. Waarna hij vervolgt: "Verscheur deze brief! Werp hem in een van de 47 haarden. Ik vertel veel te veel."
Uniek document
Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel is ook de titel die Nop Maas, de biograaf van Reve, en Willem Otterspeer, de biograaf van Hermans, hebben gegeven aan het gisteren bij De Bezige Bij verschenen boek waarin zij de correspondentie uit de jaren '40 en '50 tussen de beide toen aanstormende talenten hebben samengebracht en becommentarieerd.
Otterspeer trof die aan in het archief van Hermans. "Als Kastor en Pollux leken ze uit één ei afkomstig: de diepe haat tegen hun land van herkomst," schreef hij in het eerste nummer van het opnieuw tot leven gewekte tijdschrift Hollands Diep, waarin hij enkele van die brieven publiceerde.
De correspondentie begint met een brief van 19 september 1947 waarin Hermans uitgebreid ingaat op De avonden, waarmee hij Reve feliciteert. "Het boek is buitengewoon eentonig, maar ik heb mij geen ogenblik verveeld. Het eind is werkelijk een soort apotheose." Voor ieder met ook maar enige belangstelling voor de beide schrijvers of voor één van hen is Verscheur deze brief! een uniek document. Ze gaan in op hun eigen en op elkaar werk, waarvoor ze wederzijds veel waardering hebben, maar waarbij ze ook de kritiek niet schuwen.
In ongenade
Na meer dan tien jaar van intensieve correspondentie komt de verwijdering. Nadat Reve als redacteur van het door Hermans gehate literaire tijdschrift Tirade een paar keer heeft aangedrongen op een bijdrage, schrijft Hermans op 20 februari 1959 dat zijn vroegere haat tegen Tirade bezig is over te gaan in groot agressief medelijden.
"Maar, hoe onbegrensd mijn medelijden ook moge wezen, mijn tijd is niet onbegrensd. Daarom is in ongenade vallen wel het meest geschikte middel om van het gezeur af te komen. Dit overkomt jou dus bij dezen." Nadat hij "vier weken beraad" in acht heeft genomen, antwoordt Reve dat hij zich ernstig gegriefd voelt. "Ik ontzeg u bij deze voor altijd de toegang tot mijn woning en wens mij voor goed van de omgang met uw persoon te vrijwaren."
In Verscheur deze brief! volgt daarna nog een dertigtal brieven en ansichtkaarten uit de jaren '60, '70 en '80. Op de enveloppen van de drie laatste brieven van Reve, van 25 juni, 14 juli en 17 juli 1987, schrijft Hermans respectievelijk "maar niet beantwoorden", "niet ingaan op dit geseur" en "laat maar zitten". Op 7 juli schrijft hij in een brief aan Joop Schafthuizen te hopen dat Reve nooit meer onware en kwaadaardige praatjes over hem zal rondstrooien. "Dan wens ik hem bij voorbaat alle goeds."
Deel deze pagina
»
»
»