Op 10 december beginnen de Albanezen in Kosovo een eigen staat. Dat beloven althans de politieke leiders die meedoen aan de verkiezingen van zaterdag. Een NOS-ploeg is in Kosovo. Buitenlandredacteur Lucas Waagmeester bericht vanuit de - nu nog - Servische provincie.
Op de rand van onafhankelijkheid
Door Lucas Waagmeester
Verkiezingsdag in Kosovo. Land aan de rand van Europa, op de rand van onafhankelijkheid. De VN is er sinds de burgeroorlog van 1999 de baas, terwijl het gebied officieel nog steeds een provincie van Servië is. Maar het volk dat er woont, wil een eigen staat beginnen, tegen de zin van het moederland.
Als de VN aanstaande 10 december geen besluit heeft kunnen nemen over de status van Kosovo verklaart het gebied zich eigenhandig onafhankelijk van Servië. Dat beloven de politieke leiders die meedoen aan deze verkiezingen.
We hebben de afgelopen dagen een serie campagnebijeenkomsten bezocht en leiders gesproken. Ze worden uitbundig onthaald in sporthallen, theaters of op het dorpsplein. In hun toespraken lijken ze een stap verder te gaan dan de belofte tot onafhankelijkheid. Die komt alleen nog aan de orde als gepasseerd station.
De teksten gaan over wat na die onafhankelijkheid zal komen. Snelwegen, buitenlandse bedrijven met veel banen, stabiliteit, economische ontwikkeling, een voorspoedige toekomst. Het is voor hen geen vraag meer of Kosovo als onafhankelijk land verder gaat.
Het zijn welbespraakte heren, met een heldere, maar diplomatieke boodschap. Geen krasse taal meer, maar redelijkheid. Een strakke mediatraining en realiteitszin zorgen voor statements waar de wereld niet direct van achterover zal slaan. Zelfs de oude vechtjassen van het Kosovo bevrijdingsleger UCK hebben het nu over het 'respecteren van internationale afspraken' en het 'afwachten tot de onderhandelingen zijn afgerond.'
De onafhankelijkheid komt er, maar dat wordt niet meer gepresenteerd als dreigement. Het is een democratische werkelijkheid. Dat is wel eens anders geweest.
De dreigers en dromers van vroeger zijn er nog wel, maar ze doen er bij deze verkiezingen niet echt meer toe. Dat blijkt tijdens een bezoek aan Dr. Ahmet Mulliqi, bij wie we niet ontvangen worden op een fris partijkantoor, maar in een achterkamer van zijn eigen huis. De ruimte hangt van doeken en vloerkleden aan elkaar, er staat een rijtje plastic tuinstoelen en een stel kaarsen. Die laatste niet voor niets, want net voor Mulliqi binnenkomt, valt de stroom uit.
In de halve duisternis hebben we een haast melancholiek gesprek over het ideaal van een Groot Albanië; alle Albanezen uit Kosovo, Albanië, Macedonië, Montenegro en Griekenland binnen één natie.
Of tijdens de ontmoeting met Visar, een schimmige Albanees die we alleen via een rondgang langs drie contactpersonen te spreken krijgen. Visar kan voor ons de overtocht verzorgen, door de bergen, naar dorpen aan de grens tussen Kosovo en Macedonië. Daar wonen belegerde families die volgens Visar tot de tanden bewapend zijn en klaarstaan om het gevecht aan te gaan met welk leger dan ook.
Het zijn de laatste geïsoleerde verzetshaardjes, overgebleven uit de strijd om het grote Albanese ideaal. Visar zegt van niet, maar uit alles blijkt dat ook hij nog stiekem droomt van een gezamenlijke heroïsche strijd van de Albanese bergvolken.
Als die strijd er al komt, zal die het verschil niet meer kunnen maken. De werkelijkheid in Kosovo is er één van gematigde politici en een volk dat droomt van een welvarende toekomst in vrede met z'n buurlanden.

»
»