Hulpverleningsinstanties moeten zich veel meer richten op de veiligheid van kinderen. Dat stelt de Inspectie voor de Gezondheidszorg in een zeer kritisch rapport over de hulp aan het vermoorde Maasmeisje Gessica.
De jeugdgezondheidszorg (JGZ), de regionale instelling voor geestelijke gezondheidszorg (RIAGG), de huisartsen en de behandelaars van de verschillende gezinsleden hebben signalen van risico over het hoofd gezien, ontwikkelingen rondom het meisje onvoldoende vastgelegd en zich te passief opgesteld.
De twaalfjarige Gessica werd vorig jaar in stukken teruggevonden in de Maas. Haar vader zit vast op verdenking van moord.
Geen alarm
Vader en dochter waren bekend bij verschillende zorginstanties. Die wisten dat er problemen waren in het gezin, maar er werd geen alarm geslagen. Volgens de inspectie kwam de jeugdzorg zijn taak als zorgcoördinator niet na.
Verschillende huisartsen die bij het gezin betrokken waren, waren niet volledig op de hoogte van de regels bij kindermishandeling, zoals de meldcode kindermishandeling van artsenorganisatie KNMG. Omdat ze geen risicotaxatie deden, konden zij de situatie niet goed inschatten.
Ook de behandelaar van Gessica's vader, die onder langdurige psychische behandeling was, heeft niet juist gehandeld. Hij besteedde te weinig aandacht aan de voorgeschiedenis van de man en diens directe omgeving.
Huisbezoeken
De Inspectie voor de Gezondheidszorg wil dat de jeugdgezondheidszorg vanaf nu de eerst verantwoordelijke wordt voor de veiligheid van kinderen. Ze moet meer handelend optreden door bijvoorbeeld huisbezoeken af te leggen.
Het Elektronisch Kind Dossier, waarin alle gegevens over het kind worden opgenomen, moeten de medewerkers van jeugdgezondheidszorg in staat stellen hun werk goed te doen.
In mei verscheen al een rapport van vier inspecties gezamenlijk. Daarin werd geconcludeerd dat de samenwerking tussen Jeugdzorg, huisarts en school faalde.
Deel deze pagina
»
»
»