José Maria Sison, leider van de Filipijnse communisten in ballingschap, is in zijn woonplaats Utrecht gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij moordaanslagen op de Filipijnen. Dat heeft het Openbaar Ministerie bekendgemaakt.
Hij wordt vrijdag voorgeleid aan de rechter-commissaris in Den Haag. Sison mag in Nederland worden berecht, omdat hij vanuit ons land opdracht zou hebben gegeven voor de moorden op zijn vroegere medestanders Romulo Kintanar en Arturo Tabara.
De 68-jarige Sison, oprichter van de Filipijnse communistische partij CPP, vluchtte in 1987 naar Nederland. De CPP voert via haar gewapende tak New People's Army al jaren verzet tegen de opeenvolgende regeringen in Manilla.
Restaurant
Kintanar, de voormalige leider van New People's Army, werd in januari 2003 doodgeschoten in een Japans restaurant op de Filipijnen. Hij werd getroffen door tien kogels.
Tabara en diens schoonzoon kwamen in september 2004 om bij een aanslag toen ze op een parkeerplaats hun auto uitstapten.
New People's Army eiste beide aanslagen op. De gewapende tak van de CPP vermoordde Kintanar omdat hij als dissident misdaden tegen de revolutie en het volk zou hebben gepleegd. Tabara werd geëlimineerd omdat hij zich verzette tegen een arrestatie door New People's Army.
Justitie in Nederland startte in 2006 een onderzoek naar de moorden in 2003 en 2004. De uitkomst van dat onderzoek heeft geleid tot Sisons arrestatie.
Asiel
Sison vroeg bij zijn komst in Nederland politiek asiel aan, maar dat werd afgewezen. Hij kon het land niet worden uitgezet, omdat zijn leven gevaar liep bij terugkeer op de Filipijnen.
In september 2002 werden de tegoeden van Sison en zijn partij op verzoek van de VS door Nederland bevroren. Eerder dit jaar besloot het Europees Hof van Justitie dat deze bevriezing moest worden opgeheven.
