"WOII-musea op omslagpunt"

Aangepast op

Door redacteur Lambert Teuwissen

Keer op keer voorspelden experts dat het nu wel klaar zou zijn met alle aandacht voor de Tweede Wereldoorlog. Na het 25-jarig jubileum van de bevrijding zou het toch wel aflopen? Niet, dan bij de viering van 50 jaar, toen er steeds minder mensen leefden die het bewust hadden meegemaakt.

Het tegenovergestelde gebeurde, als we de aandacht in musea als leidraad mogen nemen. Voor zijn boek De oorlog in het museum ontdekte NIOD-historicus Erik Somers dat er tussen 1945 en 1980 slechts zes oorlogsmusea in Nederland waren. In 1990 waren het er al 28, tegenwoordig 83.

"Het gaat onverminderd door", zegt Somers. "Er zijn nu al weer drie heel concrete musea die tussen nu en volgend jaar geopend worden."

Amateuristisch

Somers schetst in zijn boek hoe divers het aanbod is van oorlogsmusea in ons land. Hij beschrijft de grote spelers als Westerbork en Overloon (elk meer dan 100.000 bezoekers per jaar) en de amateurprojecten als de Biberbunker in Oostvoorne (700 bezoekers in 2012) En dan is er de buitencategorie: het Anne Frank Huis, met 1,1 miljoen bezoekers vorig jaar, vooral buitenlanders.

Het is opvallend hoe amateuristisch het er tot voor kort aan toeging in de grote WOII-musea van ons land. Conservatie ging hapsnap, men had geen acquisitiebeleid om vast te stellen wat wel en niet bewaard moest worden en vaak ontbrak het overzicht van wat een museum in depot had staan. Ook was er tot enkele jaren geleden nauwelijks samenwerking tussen de grote musea.

"Veel van die musea zijn uit idealisme opgericht. Men wilde een boodschap vertellen of een eerbetoon aan de slachtoffers brengen. Maar die initiatieven kwamen niet van gediplomeerde mensen uit het museale veld. De verantwoordelijkheid voor collectiebeheer is pas iets van de laatste jaren. Daar lag de prioriteit niet."

Omslagpunt

Volgens Somers zijn de musea nu op een omslagpunt gekomen. Niet alleen wordt er professioneler gewerkt, ook de collecties worden anders gepresenteerd. "In het begin was het vooral een opgedreunde geschiedenisles. Je mocht niks vergeten, aan de hele geschiedenis moest zo veel mogelijk recht worden gedaan. Nu probeert men het publiek steeds meer aan te spreken vanuit het aspect van authenticiteitsbeleving."

Zo kan men in het Oorlogsmuseum Overloon een bombardement op bezet gebied "meemaken". De bezoekers worden ondergedompeld in ervaringen, eerst aan boord van een bommenwerper, dan in de oorlogszone. In het Airborne Museum Hartenstein kan men ervaren hoe een paratrooper boven Nederland zich gevoeld moet hebben.

Volgens Somers komt deze ontwikkeling mede doordat er steeds minder getuigen zijn. "De tweede en derde generatie heeft de oorlog niet meegemaakt, maar heeft er wel nauwe banden mee. Het is verankerd in hun bestaan, omdat ze ermee opgevoed zijn door herdenkingen, onderwijs, films en literatuur. Nu de getuigen wegvallen, biedt een museum een goed alternatief."

Wankel evenwicht

Toch vraagt Somers zich af of elke oorlogservaring zich leent voor zo'n aanpak. Is het kies een deportatie of een concentratiekamp na te spelen? "Het is een wankel evenwicht. Naarmate de oorlog verder van de bezoekers af komt te staan, groeit de behoefte om je in te leven om je er een voorstelling van te maken. Dan kom je op de scheidslijn tussen informatie, educatie, sensatie en beleving. Als je doorschiet, kom je uit op effectbejag. Het is aan de musea om daar een balans in te vinden."

In het boek vertelt Somers uitgebreid over de plannen in de jaren 90 om afgeschoren haar uit Auschwitz tentoon te stellen in Overloon. Die plannen stuitten op veel verzet. "Ik sta er altijd weer versteld van wat voor emoties het kan oproepen, maar ik denk dat daar langzaam het taboe van afgaat", zegt Somers.

Naarmate de oorlog verder van ons af komt te staan, is de behoefte naar authenticiteit namelijk groter. "Je ziet het in de VS, waar ook haar tentoongesteld werd. Daar is de afstand letterlijk heel groot en wordt ook meer naar die beleving gezocht. In Nederland riep het veel commotie op, maar dat was daar minder het geval."

Leegte

Somers noemt ook doorvoerkamp Westerbork als voorbeeld. Er was een tijd dat nabestaanden er pertinent niks gebouwd wilden zien. "Die kale, verlaten plek, zonder barakken of wachttorens, symboliseerde de leegte, het vertrek, het verdriet die de weggevoerde slachtoffers achterlieten. Het werd een heel monumentale herdenkingsplek."

"De nieuwe generatie, die geen directe band met die slachtoffers heeft, wil zich juist een voorstelling kunnen maken op die plek. En dus denken ze eraan om barakken, deels authentiek, terug te plaatsen. En om een goederenwagon neer te zetten."

"Destijds wilden we daar onze vingers niet aan branden, maar nu durven we dat wel."

Erik Somers - Oorlog in het museum - WBooks - ISBN: 9789462580053