De gevechten bij het Palestijnse vluchtelingenkamp Nahr-el-Bared zijn vanochtend weer in alle hevigheid opgelaaid. Het Libanese leger met tanks en pantservoertuigen de buitenwijken van het kamp binnengetrokken.
Het leger zegt de ring rond het kamp steeds kleiner te maken om strategische posities te kunnen bezetten en de militanten van Fatah al-Islam van hun stellingen te verdrijven.
Het offensief, dat gisteren is begonnen, is het hevigste sinds de gevechten twee weken geleden uitbraken en Nahr-el-Bared werd omsingeld.
Menselijk schild
De Palestijnse militanten in het vluchtelingenkamp kwamen in opstand nadat de Libanese autoriteiten in het kamp verdachten van bomaanslagen hadden aangehouden. Volgens oude afspraken uit 1969 mocht de Libanese politie het kamp, dat bij de havenstad Tripoli ligt, niet betreden.
Volgens de Verenigde Naties zijn ongeveer 25.000 van de 31.000 bewoners het kamp ontvlucht. Meer dan 100 mensen zijn gedood, onder wie veel burgers. Volgens het leger gebruiken de strijders van Fatah al-Islam burgers als menselijk schild.
Wirwar
De gevechten concentreren zich rond de randen van het vluchtelingenkamp. Enkele tientallen tanks en pantservoertuigen zijn de buitenwijken ingetrokken en het kamp wordt beschoten met artilleriegranaten. De militanten hebben zich verder in het kamp teruggetrokken, een wirwar van betonnen gebouwen en smalle straatjes.
Het leger eist dat de militanten zich overgeven, maar vooralsnog weigeren die dat. Volgens getuigen zou het leger nu verder oprukken in het kamp.
In Libanon zijn twaalf Palestijnse vluchtelingenkampen. Na de stichting van Israël in 1948 sloegen de Palestijnen massaal op de vlucht naar de buurlanden, waaronder Libanon. Tijdens de Zesdaagse oorlog in 1967 ontvluchtte een tweede golf Palestijnen de door Israël bezette gebieden.
Het overwegend christelijke Libanon zat niet te wachten op zoveel moslims en zag hen het liefst weer zo snel mogelijk vertrekken. Ze kregen daarom geen staatsburgerschap en geen werkvergunning.

»
»