Het gerechtshof in Amsterdam moet de zaak uit 2005 waarin terrreurverdachte Samir A. werd vrijgesproken opnieuw behandelen. Dat heeft de Hoge Raad bepaald.
Samir A. stond terecht voor het voorbereiden van een aanslag. Het hof in Den Haag twijfelde er niet aan dat A. terroristische bedoelingen had, maar vond dat er van de voorbereidingen die hij had getroffen geen reële dreiging uitging.
In A.'s woning werden onder meer wapens, chemicaliën, een nachtkijker en plattegronden van het Binnenhof, de kerncentrale Borssele, het AIVD-gebouw en Schiphol gevonden. Het hof oordeelde toen dat A's pogingen "pril en onhandig" waren.
Cassatie
Het Openbaar Ministerie was het met die lezing niet eens en ging in cassatie bij de Hoge Raad. Die stelt het OM nu in het gelijk.
De Hoge Raad vindt dat het gerechtshof in Den Haag destijds een onjuiste uitleg heeft gegeven van het begrip 'voorbereidingshandelingen'. Volgens de Raad moet doorslaggevend zijn wat de verdachte met de spullen van plan was.
Acht jaar
In december vorig jaar werd Samir A. in een soortgelijke zaak wel veroordeeld. Hij kreeg acht jaar cel opgelegd voor het voorbereiden van aanslagen op politici en het gebouw van de inlichtingendienst AIVD.
Een videotestament waarin A. afscheid nam van familie en vrienden speelde een belangrijke rol bij zijn veroordeling. Justitie stond tijdens dit proces ook sterker, omdat er sinds 2006 een strengere terrorisme-wetgeving geldt.
Deel deze pagina
»
»
»