Ouders maken kind vaak agressief

Kleine kinderen zijn soms erg agressief. Dat is voor een deel aanleg, maar ouders spelen ook een belangrijke rol bij het agressief worden van hun kinderen. De manier waarop ze met hen omgaan is van doorslaggevend belang, juist bij kinderen die het moeilijk hebben met het reguleren van agressie.

Dat blijkt uit onderzoek waarop ontwikkelingspsycholoog Sannie Smeekens eind deze maand hoopt te promoveren aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Redacteur gezondheidszorg Rinke van den Brink sprak met Sannie Smeekens. 

Het  is dus allemaal de schuld van de ouders? 

Nee, dat kun je niet één op één zeggen. Er spelen meer factoren een rol. Niet alles is genetisch, niet alles ligt aan de ouders, maar ouders spelen wel een heel belangrijke rol.  

Op welke manier dan? 

Uit mijn onderzoek blijkt dat vooral peuters en kleuters agressief worden die door hun ouders voortdurend negatief worden aangesproken. Als ouders hun kinderen alles verbieden, niet naar ze luisteren, hun mening altijd overrulen, zeggen dat ze niks kunnen, dan zie je vaak dat die kinderen agressief en destructief gedrag gaan vertonen.

Je moet kinderen in hun waarde laten. Als je kinderen zo negatief benadert, voelen ze zich niet veilig. Dan gaat het niet goed met hun hechting. Die kinderen leren niet om hun emoties te reguleren en dan krijg je onherroepelijk ontwikkelingsproblemen. Ieder mens moet leren om zijn emoties te reguleren en dat kan alleen met hulp van iemand. In principe hebben ouders die rol. 

Reageren alle kinderen zo als ze alleen maar negatieve aandacht krijgen? 

Nee, niet elk kind is er even gevoelig voor. Het is voor niemand goed, maar vooral peuters die van nature al wat driftig en bozig zijn, zitten in de risicogroep. En juist voor die kinderen is het van groot belang dat hun ouders duidelijk en consequent zijn, dat ze duidelijke regels stellen en die ook handhaven.  

Kinderen reageren ook fysiek als ze steeds negatief benaderd worden.

Ja, met stress. We hebben van alle kinderen speekselmonsters afgenomen en daaruit is gebleken dat kinderen die voortdurend negatieve aandacht krijgen hogere cortisolwaarden hebben. Dat hormoon heeft een slechte invloed op het immuunsysteem van kinderen, op hun geheugen en op hun sociaal-emotionele ontwikkeling.  

Wat hebben ouders, en dan vooral ouders met moeilijke kinderen, aan uw onderzoek?

De resultaten van mijn onderzoek zijn vooral bedoeld voor deskundigen. Om hen beter in staat te stellen ouders te helpen. We zijn heel veel op huisbezoek geweest en hebben de omgang van ouders met hun kinderen geobserveerd en gefilmd. 

Die opnamen hebben we geanalyseerd. Ouders weten vaak wel dat ze duidelijk moeten zijn, grenzen moeten stellen, maar ook respect moeten hebben voor de eigenwaarde van hun kinderen, maar toch lukt het ze vaak niet. Hoe eerder je dat constateert hoe beter. Vroegtijdige signalering kan heel veel ellende voorkomen. Want als je niets doet is de kans groot dat dit soort agressieve peuters en kleuters later ontspoort en heel veel problemen krijgt. 

Agressieve peuters en kleuters, waar hebben we het dan eigenlijk over, hoe herken je die? 

Het gaat natuurlijk niet om kinderen die eens een keer heel boos worden en dat uiten. Maar als je kind dagelijks een woedeaanval heeft, dan is er natuurlijk wat aan de hand. We geven ouders nu onvoldoende ruimte om daarover te praten. 

Consultatiebureaus zouden dat meer moeten doen. Die houden zich vooral bezig met de lichamelijke gezondheid en de inentingen, maar ze zouden meer moeten doen aan geestelijke gezondheid van de kleine kinderen. En dat zou ook best wat dwingender mogen, juist omdat het zo belangrijk is dat je vroeg ingrijpt voor het helemaal mis gaat.

Niemand hoeft naar het consultatiebureau, daar komen ouders vrijwillig. Jaag je de mensen die je het dringendst moet bereiken niet juist weg met dwang? 

Dat zou kunnen, maar toch moet het consultatiebureau er veel explicieter mee aan de gang. Dat is nu eenmaal de plek om in een vroeg stadium ontwikkelingsproblemen en psychosociale problemen te constateren. 

Misschien dat de nieuwe Ouder-Kind-Centra die nu ontstaan er wat beter voor toegerust zullen zijn. Zeker als straks de voorschoolse en de naschoolse opvang meer gekoppeld zijn aan de scholen. Die grotere continuïteit bij de begeleiding maakt het misschien wat makkelijker om dit soort zaken goed in de gaten te houden en ook aan te snijden.

Waar wilt u naar toe, naar opvoedcursussen voor ouders? 

Ja, je moet zien ouders op cursussen te krijgen. Als je een hond koopt, kun je ik weet niet hoeveel cursussen gaan volgen om te leren goed met je husidier om te gaan. Maar voor ouders heb je zoiets eigenlijk niet. Het zou heel goed zijn als dat er kwam.

Als je er vroeg bij bent, kun je voorkomen dat die kinderen later in de jeugdzorg terechtkomen. Het is al vaak aangetoond dat van veel kinderen in de jeugdzorg de wortel van hun problemen doorgaans in hun eerste jaren ligt. 

In het nieuwe kabinet zit voor het eerst een minister voor Jeugd en Gezin, gaat dat helpen? 

Dat is in ieder geval niet verkeerd. Ik vind het mooi dat er nu één minister komt die over de jeugd gaat en dat het niet langer verdeeld is over allerlei ministeries. Maar het blijft natuurlijk even afwachten wat voor beleid Rouvoet gaat voeren. En in alle gevallen zal het heel moeilijk worden om de ouders te bereiken die het het meeste nodig hebben.

Die zijn niet geïnteresseerd? 

Nou, je merkt vaak wel dat hoog opgeleiden makkelijker bereikbaar zijn voor dit soort dingen dan mensen die minder goed zijn opgeleid. 

Hebt u dat bij uw onderzoek ook gemerkt? 

Nee, dat is juist heel opmerkelijk van ons onderzoek. De mensen die er aan hebben meegedaan komen echt uit alle lagen van de bevolking. We zijn in 1998 begonnen. De deelnemers zijn geworven via de consultatiebureaus in een aantal geselecteerde wijken van Nijmegen, juist om een goede afspiegeling van de bevolking te krijgen. 

We hebben de kinderen als peuters gezien, als kleuters, we hebben ze als 7-jarigen gezien en nu zijn ze 9 jaar en gaan we ze weer zien. En nog steeds doet een heel hoog percentage van de oorspronkelijke deelnemers aan het onderzoek mee. 

Hoe lang gaat het onderzoek nog door? 

Zo lang we geld hebben. We schrijven telkens nieuwe onderzoeksvoorstellen waarvoor dan weer subsidie komt. Het belang van dit onderzoek is ook dat het een longitudinaal onderzoek is, dat we die kinderen jarenlang blijven volgen om te zien hoe het met hun ontwikkeling gaat. 

Deel deze pagina

Nieuws

Video en Audio

Meer video en audio