VN-onderhandelaar Martti Ahtisaari heeft in Pristina het VN-rapport over de toekomst van Kosovo gepresenteerd. David Jan Godfroid en Lucas Waagmeester berichten vanuit het verscheurde gebied.
Wantrouwen in Kosovo lijkt onoverbrugbaar
Door Lucas Waagmeester
Pristina, 4 februari - De klus is geklaard. Ahtisaari heeft zijn rapport in Belgrado en Pristina gedropt. Maar ook de Fin gaat, zelfs na een jaar lang praten en nadenken, echt harde uitspraken uit de weg. Dat geldt ook voor de mensen om wie het gaat: de Albanezen en Serviers in Kosovo. Ligt het dan allemaal echt nog zo gevoelig?
"De mensen zijn moe", hoe vaak hebben we dat niet gehoord de afgelopen dagen. De echte haat, direct onder de huid, is bij de meesten weg. Het lijkt erop dat de groep die bereid is opnieuw met de andere partij op de vuist te gaan, stevig is gekrompen. Maar de kunst van het samenleven is nog maar tot weinigen doorgedrongen. Deze mensen voelen zich nog steeds niet op hun gemak met elkaar. Dat is zeer zichtbaar, ook voor een buitenstaander.
Neem Ivan, een jonge Serviër uit de verdeelde stad Mitrovica. Ik had voor het eerst contact met hem tijdens de rellen in de stad in maart 2004. Hij heeft gestudeerd, heeft een goede baan en meerdere Albanese vrienden. En hij heeft een verhaal. Hij is tijdens de oorlog tot twee keer toe verjaagd uit zijn woonplaats. Het werd te gevaarlijk. Hij is gevlucht, heeft gezien hoe zijn eigendommen werden vernield en mensen die hij kende werden afgeranseld of verdwenen. Waar hij nu woont gaat hij blijven. "Ik laat me niet meer wegjagen, het is genoeg geweest."
Voor een journalist heet dat laatste een goede quote. Ivan geeft hem graag, maar niet waar de camera bij is. "Dit is Mitrovica, hier vertellen mensen hun verhaal niet op de camera." Waarom niet? "Waarom denk je, ik zeg je, dit is Mitrovica." Daar moet ik het mee doen.
Dan onze cameraman. Een Albanees dit keer. Een stevige, zakelijke, integere man. Vriendelijk en eerlijk. Een man met een goed hart, zouden ze hier zeggen. We willen filmen in het noorden van Mitrovica, het Servische deel van de stad. Om te beginnen moeten we de auto met Albanees kenteken achterlaten in het zuiden. De vraag waarom wordt vooral dom gevonden.
We gaan naar de andere kant van de rivier, over de beruchte brug die de stad scheidt tussen noord en zuid, tussen Servisch en Albanees. En we lopen met de cameraman het noordelijk deel van de stad binnen. Hij verandert om als een blad aan een boom. Ineens is hij schuchter, hij twijfelt, kijkt over zijn schouder. We mogen zijn echte naam niet meer noemen en tegen de Servische jongen die we interviewen liegt hij over zijn afkomst. Iets waar hij later overigens spijt van heeft.
Wat in theorie altijd 'etnische spanning' heeft geheten, kijk ik nu recht in de ogen. Deze mensen vertrouwen elkaar niet. Ze voelen zich niet op hun gemak met elkaar. Vraag naar de reden daarvoor en de antwoorden zijn divers.
De mensen zijn gefrustreerd door hun verliezen, ze lopen rond met de geschiedenis in hun hoofd, het leven is uitzichtloos geworden en ze kunnen alleen maar elkaar de schuld geven. Frustraties, het bloedige verleden, de economie. Meer krijg je niet. Het is raden naar de ware geest van dit land. Maar een ding weten we inmiddels, als hij toch uit de fles komt is die geest meedogenloos en niet te stoppen.
Bezint eer ge begint
Door David Jan Godfroid
Wat moet je nou met zo'n plan? Dat van Ahtisaari voor Kosovo bedoel ik. Vlees noch vis, de kool noch de geit sparen, wat voor uitdrukkingen hebben we nog meer in het Nederlands om aan te geven dat we niet weten wat we willen?
De internationale gemeenschap heeft zich in 1999 in een positie gemanoeuvreerd waar geen uitweg uit mogelijk is die iedereen bevredigt. De Serviërs willen niet af van Kosovo en de Albanezen willen juist voor altijd en eeuwig weg van de Serviërs.
De internationale oplossing: uitstel. De eerste uitsteltruc was: eerst de standaard dan de status. Met andere woorden, eerst moeten de Kosovaren (en dus vooral de Albanezen) maar eens aantonen dat ze dit gebied fatsoenlijk kunnen besturen en dan zullen we het later wel eens hebben over wat we met Kosovo aan moeten.
Jammerlijk mislukt. Van een Europese standaard is op vrijwel geen enkel gebied sprake. In acht jaar tijd is er nauwelijks een na de oorlog verdreven Serviër teruggekeerd, conflicten over eigendom (van die verdreven Serviërs) zijn nauwelijks opgelost, van een onafhankelijke rechtspraak is nog geen sprake, vriendjespolitiek en corruptie zijn aan de orde van de dag. Om maar eens wat te noemen. Voordat die standaard het geval is, zijn we op z'n minst tien jaar verder.
Maar zo lang kan de internationale gemeenschap niet wachten.
En dus kwam er paradoxaal genoeg, een tweede uitsteloperatie. Servië raakt Kosovo alvast kwijt, maar dat betekent nog niet dat het al onafhankelijk is. Er komt een heel onduidelijke periode aan; een periode waarin de Kosovaren wel hun eigen vlag mogen hijsen en hun eigen volkslied mogen zingen, maar waarin ze zichzelf nog niet onafhankelijk mogen noemen. Wat moet je daar nou mee? Ik weet niet of zo'n situatie ergens anders op de wereld bestaat, maar ik weet zeker dat de Albanezen hier niet lang mee willen leven.
Het is natuurlijk mooi als de internationale gemeenschap allerlei onheil met (gewapend) ingrijpen wil voorkomen, maar voor het geval de dames en heren een wijze raad willen aannemen van een nederige correspondent: bezint wel eer ge begint. Anders krijg je Kosovo.
Hopen op betere tijden
Door Lucas Waagmeester
Pristina, 1 februari - Wanneer je 4000 meter boven Kosovo door de wolken vliegt, zie je een vlak, grauw land. Het groen is grijs-bruin en ligt er in lapjes bij. Verkaveld, maar uiteraard minder strak belijnd dan in Nederland. Tussen de lapjes liggen kleine dorpen, allemaal wit-rode laagbouw, verbonden door smalle zwarte slierten.
Vanuit de lucht gezien lijkt Kosovo geen begeerlijk land. Geen land waarvan ik me kan voorstellen dat mensen er voor sterven. Balkan betekent zoveel als 'Bloed en Honing'. Het bloed dat wordt vergoten om de honing die het land te bieden heeft. Er zijn veel streken in de Balkan waarvan ik me dat beeld zonder moeite voor de geest kan halen. Maar niet van Kosovo, zoals het onder mij ligt.
In deze streek wordt het landschap vaak getekend door onafgebouwde bouwwerken die ooit villa's moeten worden. Ongepleisterde muren van rode isolatieblokken, vaak nog zonder dak erop. Tijdens de rit naar ons hotel in het centrum van Pristina tel ik net zoveel van dit soort bouwplaatsen als bewoonde huizen. De mensen maken gebruik van het gebrek aan regelgeving, vertelt een vriendin mij 's avonds bij het eten.
Het bestuur in Kosovo, dat op het moment nog onder toezicht staat van de Verenigde Naties, is nog niet zover dat het bouwvergunningen afgeeft en er op toeziet dat daar niet van wordt afgeweken. Ze hebben wel iets anders aan hun hoofd. In de wetenschap dat dit over een paar jaar anders zal zijn, bouwt iedereen die het geld bij elkaar kan krijgen maar raak.
Buiten dat staat Kosovo op veel terreinen stil op het moment, vertelt dezelfde vriendin na het eten in een bar. Een bar overigens, die zo afgeladen is, dat ik mijn jas nauwelijks uit krijg. Allemaal jongeren die op het eerste gezicht zeker niet stil lijken te staan. Maar ze bedoelt het anders. Veel mensen hopen dat de nieuwe status van Kosovo ook iets gaat betekenen voor de economie.
Werkloosheid, een gebrek aan kansen en een gebrek aan zekerheid - dus investeringen - leggen het leven hier lam. Het levende bewijs treft mij bij het naar buiten lopen. Ik wil mijn vader en moeder bellen om te zeggen waar ik zit, maar het lukt niet. In deze Europese provincie van dit Europese land doet in het hart van het centrum van de hoofdstad mijn telefoon het niet. Ik ben toch geen verwend westers nest als ik dat onvoorstelbaar vind. Er is hier iets mis, dat is duidelijk.
Deel deze pagina
»
»
»