Vandaag worden in Servië parlementsverkiezingen gehouden. NOS-verslaggevers David Jan Godfroid en Gerri Eickhof hielden tot de verkiezingen een weblog bij.
'Serviërs zijn niet achterlijk'
Door David Jan Godfroid
Servië is veranderd, we constateerden het al eerder in deze serie columns en in de reportages die we voorafgaand aan de verkiezingen hebben gemaakt. Een vriend van me heeft zelfs een hypotheek afgesloten om zijn appartement mee te financieren. Hij heeft een vaste baan bij een televisiestation en durft het risico te nemen. Een paar jaar geleden zou geen haar op zijn hoofd daaraan hebben gedacht.
Ik vraag me af of dat vertrouwen ook gaat blijken uit de uitslag van de verkiezingen die vandaag worden gehouden. Want hoewel Belgrado bruist, hoewel er ook in de provincie meer in de schappen van de winkels ligt, hoewel een groot deel van het oude Yugo- en Zastava-autopark is vervangen door kleine Peugeots, Renaults, Volkswagens en Hyundais (tweedehands weliswaar), hoewel er in verband met Kosovo niet meer met oorlog wordt gedreigd, zit het tegendraadse de Serviërs in het bloed.
Mede daarom is het zo stom wat een hele reeks aan westerse politici en diplomaten weer heeft menen te moeten doen: dit land worsten voorhouden (Europese en transatlantische integratie zoals dat zo mooi heet) als zijn bevolking maar fatsoenlijk op de 'democratische' partijen stemt.
Alle twintig partijen hebben de afgelopen weken bijna tot op de seconde evenveel tijd in de nieuwsrubrieken op televisie gekregen. Dat moest van de Nationale Omroepraad en van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. De kiezer weet dus wat er te koop is en dat is wel eens anders geweest.
Als die kiezer besluit op de Servische Radicale Partij te stemmen, dan doet hij dat mede om te voorkomen dat Ratko Mladic aan het Joegoslavië Tribunaal wordt uitgeleverd. Daar is die partij namelijk tegen. Als Kostunica zijn premierschap van de kiezer mag voortzetten, dan zal hij blijven dwarsliggen als het gaat om de onafhankelijkheid van Kosovo.
Mag-ie? Zo werkt democratie. Dat daar consequenties aan vastzitten weten ze hier zelf ook wel. Ze zijn niet achterlijk.
In Nederland maken we ons vreselijk druk als de Turkse overheid zich met onze verkiezingen bemoeit. En terecht. Maar de Britse ambassadeur, de Amerikaanse ambassadeur, de voorzitter van de Europese Unie en wie al niet, vinden het klaarblijkelijk volkomen normaal om hier met opgeheven vingertjes langs te komen. Zucht.
'Kosovo bezet door VN-macht'
Door Gerri Eickhof
Pristina, 20 januari - We hotseklotsen door Zuid-Servie. Na de snelweg tot Nis wordt je met auto en al inderdaad weer jaren terug in de tijd geworpen en ondergaan de schokdempers op de slecht onderhouden wegen de ultieme test. Hoewel Kosovo nog steeds officieel deel van Servie is heb ik op de hele reis vanuit Nederland nergens zo een strenge grenscontrole meegemaakt. Tot mijn verbazing spreken de Albanezen hier toch gewoon de taal van de vijand. Een VN-militair zegt dat we het slim hebben aangepakt: Nederlandse nummerplaten en een Volvo, dat zie je hier zo weinig dat iedereen wel moet weten dat we neutraal zijn. Een inlegvelletje in het paspoort geeft aan dat we ook namens de vredesmacht UNMIK (United Nations Mission in Kosovo) welkom zijn. We hobbelen voort naar de hoofdstad Pristina.
Hotel Park, tijdens de oorlog van 1999 toch nog altijd heel behoorlijk functionerend, blijkt nu zo een gribus dat ik wel heel ver in mijn geheugen moet duiken om me een ander hotel te herinneren dat zo slecht was. Geen warm water, geen licht in de badkamer, geen verwarming bij amper 4 graden boven nul en geen telefoon.
En dat is wel heel vervelend, want hier in Pristina doet ook mijn mobiel het ineens niet meer. Wel heel goed gegeten in een drukbezocht restaurant, waar een VN-militair me probeert wijs te maken dat de providers hier herkennen dat ik via Servie ben gekomen en me daarom geen toegang op het net wil geven. Broodje aap-verhaal lijkt me zo, maar toch
Als ik terug in het hotel wil gaan slapen heb ik nogal last van de kamer naast mij. Ik laat het maar even gaan, zeker in dit deel van de wereld moet men de liefde altijd bevorderen. Maar om half een 's nachts, nadat ik al een paar keer het liedje "Duncan" van Paul Simon heb gezongen, maak ik er toch een vriendelijk eind aan. Nog even wat gestommel op de gang, dan is het rustig en val ik slaap.
De volgende ochtend ontmoet ik Bimi, een Nederlands sprekende Albanese cameraman. Kosovo is te gevaarlijk voor mijn Servische ploeg, maar de NOS heeft daarvoor dus een prima oplossing gevonden. Bimi was in 1993 naar Nederland gevlucht maar is na de oorlog teruggekeerd. "Na zeven jaar Nederland ben ik nu inmiddels zeven jaar terug, maar ik moet nog steeds wennen aan Kosovo", zegt hij.
Na een koude start loopt het allemaal soepeltjes. We komen terecht bij een van de leiders van Vetevendosje, de meest actieve onafhankelijkheidsbeweging. Hij heet Glauk Konjufca en zal een jaar of dertig zijn. Achter hem is op de muur een landkaart geschilderd. Die kaart, zo zegt hij, is zijn grote angst. Hoewel de internationale gemeenschap de beslissing over de toekomst van Kosovo heeft uitgesteld tot na de Servische verkiezingen meent hij te weten dat de wandschildering de essentie is. De paar rode vlekken zijn de gebieden waar de Serviers in de meerderheid zijn. Die krijgen waarschijnlijk straks, als Kosovo autonoom of onafhankelijk wordt, een aparte status. Maar er grenzen allemaal gele vlekken aan van plaatsen waar Servische heiligdommen zijn.
Glauk vreest dat die aan de rode worden toegevoegd. En dan zijn er nog wat lichtrode delen, die zouden moeten dienen om de Serviers vrije doorgang te garanderen. En het is allemaal zo uitgedacht dat alle vlekken bij mekaar ongeveer een kwart van het hele grondgebied uitmaken en grenzen aan het toekomstige buurland. "Op die manier kunnen de Serviers toch nog een groot deel van Kosovo onder controle krijgen, terugkrijgen, koloniseren", zo voorspelt hij.
"Nou nou nou", mompelt Bimi achter mij, "als ze ons maar niet in de weg zitten. Die mensen hebben ook rechten. Ze wonen daar al generaties, ze hebben daar hun huizen, hun bezittingen, dat is toch niet zo erg." Maar Glauk ziet dat anders. Eerst moet Kosovo zelfstandig worden, daarna zou eventueel over de belangen van de minderheden te praten zijn. Toch zijn de Serviers niet zijn grootste zorg. Het grootste gevaar voor Kosovo, zo denkt hij, is UNMIK.
"Ze houden ons al zeven jaar bezet. Ze beheersen hier alles. Ze verdienen hier allemaal in een paar maanden handenvol geld terwijl de meerderheid van de Albanezen werkloos is. Er gebeurt helemaal niets voor ons. Dus het gaat ons allang niet meer op de eerste plaats om de Serviers, we hebben ons eigenlijk met de oorlog van 1999 al afgescheiden. Het gaat ons om onafhankelijkheid en dat betekent vooral: onafhankelijkheid van die zogenaamde vredesmacht die ons nu alweer zo lang onderdrukt."
Als we buitenkomen worden we aangesproken door een Servische man, waarschijnlijk een van de weinigen die nog in Pristina woont. "Tja, we staan op een punt in de geschiedenis waarop onafhankelijkheid voor Kosovo er wel van zal moeten komen. Dat is ook beter. Ik hoop maar dat de verkiezingen een regering in Belgrado aan de macht brengen die dat niet al te moeilijk maakt. En dan hoop ik ook dat we allemaal gauw omarmd worden door Europa, dan vallen de grenzen weg en dan gaat het helemaal nergens meer over, dan kunnen we eindelijk een keertje vooruit."
"Zie je nou", glimlacht Bimi, "het zijn allemaal heel redelijke mensen hier."
Hobbel en kuil, kuil en hobbel
Door David Jan Godfroid
Belgrado, 19 januari - Naar Kosovo geweest om eens te kijken hoe de Serviërs aldaar naar de verkiezingen toeleven (ja, er zijn er nog een paar). Orahovac was de bestemming, een klein stadje in het westen, waar kort na de Kosovo-oorlog nog Nederlandse militairen hun basis hadden. De Gele Rijders.
Zoals Gerri gisteren al schreef, zijn de wegen in Servië verbazend goed. Althans, als je de hoofdwegen in ogenschouw neemt. Ik besloot om Kosovo te benaderen via de snelweg naar Nis, Zuid-Servië, en vervolgens via Prokuplje naar Pristina te rijden. Niks aan te merken op de snelweg, hoewel hier nog steeds de idiote gewoonte heerst dat voor auto's met een buitenlands kenteken veel en veel meer tol betaald moet worden dan hun soortgenoten met een Servische plaat.
Bij Prokuplje begon de ellende. Hobbel en kuil, kuil en hobbel. Zonde van mijn pas aangeschafte tweedehands Ford Focus station, dacht ik de hele tijd. De Servische politieman aan de 'grens' wilde me beboeten omdat ik niet bij het stopbord had gewacht, hoewel er niemand voor me was, maar hij streek met de hand over zijn hart bij het aanschouwen van zoveel onschuld.
De Kosovaarse douane even verderop gaf me te kennen dat ik een autoverzekering moest afsluiten, omdat de goene kaart in Kosovo niet geldt. Vijftig euro voor vijftien dagen. Korter kon niet. Op de gladde wegen van Kosovo viel het me op hoe langzaam iedereen daar reed. Dat was ik niet gewend.
Vier, vijf jaar geleden begaf iedere Kosovaar zich met ware doodsverachting het asfalt op, niemand keek, niemand sloeg acht op welke verkeersregel dan ook, iedereen haalde altijd in op plaatsen waar dat helemaal niet kon. En nu? Ze sukkelen met een gangetje van zestig over een weg waar je toch minstens honderd kan. De reden werd me 's avonds duidelijk. De Kosovaarse politie maakt werk van snelheidscontroles, ze staan om de paar kilometer. De eerste controlepost had ik niet in de gaten. Ik hoop dat de NOS mijn bon betaalt.
Servië en Kosovo mogen dan op tal van punten niets met elkaar gemeen hebben, wat wegen betreft is de overeenkomst frappant. Alles wat doorgaand is, is prachtig. Wil je echter binnendoor van Suva Reka naar Orahovac, dan verzand je in een wirwar van half- of ongeplaveide weggetjes, waar nergens een richting wordt aangegeven en niemand de weg weet. Tot de assen in de modder en veel te laat op de plaats van bestemming.
Eindelijk meer welvaart in Servië
Door Gerri Eickhof
Belgrado, 18 januari - In de afgelopen 14 jaar ben ik tientallen keren in Servië geweest, maar het is nu voor het eerst dat ik niet het gevoel heb dat het land in staat van crisis, oorlog, agressie, frustratie of armoede is.
Alleen de wegen al: geen gaten meer. Soepel glijden we naar Belgrado, hoofdstad in verkiezingstijd. Met enorme billboards, dikwijls verlicht en soms zelfs bewegend, suggereren ook de campagnes een nieuwe welvaart en vooruitgang. Heel wat anders dan de kleine, dikwijls fletse postertjes van vroeger. En natuurlijk, maar dat was vorige keer ook al, veel campagnes, veel partijen, veel gezichten.
"Ja, het gaat eindelijk beter, eindelijk", zo zeggen onze vrienden als we een opmerking maken over de schone straten. "Met de stad, met het land, met ons. We hebben eindelijk een beetje geld, eindelijk wat te verteren. We zijn tevreden nu."
Mijn cameraman en beste kameraad Aleksander is vrolijker dan ik hem ooit heb meegemaakt. "Ja jongen, er is toch nog een toekomst ook al ben ik een ouwe vent van 33." "Hoezo, kun je soms toch naar Amerika emigreren?" "Nee, dat hoeft niet meer. Ik wil hier verder. Want die toekomst ligt hier. Weet je, ik ben gaan studeren! Ik ben de oudste van de hele faculteit, het is keihard werken, vooral omdat ik ook nog een baan heb natuurlijk, maar ik heb er plezier in en ik ga die studie afmaken ook."
Hij bestelt als nader welkom de traditionele perenlikeur voor mij. Na het eerste slokje buigt hij voorover: "En weet je, misschien nemen we toch een kind." Hij kon het woord 'kind' vroeger niet uit zijn mond krijgen. "Ga je stemmen?", vraag ik wat later op de avond. "Natuurlijk, wat dacht je?" "Op wie?" "De Liberale Democraten. Pro-Europa, pro-alles. Misschien halen ze de kiesdrempel niet. Ik had zou ook op een regeringspartij kunnen stemmen, ze hebben het uiteindelijk goed gedaan die mannen. Maar ik tem met mijn hart."
"Is dat pro-Europa dan de belangrijkste reden?" "Ach Europa, Europa. Nee, ik stem voor werkgelegenheid, sociale zorg, economie, de gewone dingen. Kijk, Kosovo raken we toch wel kwijt, Mladic krijgen ze toch niet te pakken omdat hij ze allemaal te slim af is, dus ik heb in die verkiezingsprogramma's naar de alledaagse dingen gekeken. Kosovo en Mladic zijn wereldpolitiek, daar heb je als kiezer geen invloed op. Proost."
Een uurtje later gaat de telefoon, het is al een eindje in de avond. Een docent van de universiteit: Aleksander is geslaagd voor zijn eerste examen.
Kostunica huurt rondborstige Ceca in
Door David Jan Godfroid
Belgrado, 17 januari - Ik had Ceca, spreek uit Tsetsa, eerder verwacht op een manifestatie van de ultranationalistische Servische Radicale Partij. Maar de diva van de turbofolk, een voormalig Joegoslavische mengvorm van pop en traditionele muziek, vermaakte dezer dagen tweehonderdduizend mensen in het hartje van Belgrado.
Dit deed ze namens de Democratische Partij van Servië, de partij van de ooit gematigd conservatieve premier Vojislav Kostunica. Voor de gelegenheid had de zangeres zich fatsoenlijk aangekleed; er was geen vierkante centimeter te zien van haar extreem vergrote borsten. Die krijgen haar opgewonden fans normaal gesproken in volle glorie vanaf het podium voorgeschoteld.
Ceca noemde Kostunica, die zelfs enkele woorden van haar liedjes kon meeprevelen, haar geliefde premier, de man die Servië heeft verenigd. Dat was moeilijk te geloven uit de mond van mevrouw Svetlana Raznjatovic, wat haar eigenlijke naam is.
De echtgenote van de vermoorde Zelko Raznjatovic, beter bekend als de oorlogsmisdadiger Arkan, koketteerde in het verleden met alles wat met Servische eer, Servische moed en Servische kracht te maken had. Ze was een typisch voortbrengsel van de Milosevic-periode.
Nadat in maart 2003 de toenmalige minister-president Zoran Djindjic was vermoord, zat ze vier maanden in het gevang, verdacht van betrokkenheid bij de aanslag. Ze kende bijna alle samenzweerders, onderhield zeer nauwe banden met de organisator van de moord, Milorad Ulemek alias Legija, en werd door een ander gevraagd hem een alibi te verschaffen.
Later werd ze alleen veroordeeld voor de illegale wapens die in haar woning waren gevonden. Kostunica en Djindjic waren samen verantwoordelijk voor de val van Slobodan Milosevic op 5 oktober 2000, maar vrienden zijn ze nooit geweest.
Kostunica vond Djindjic een onverantwoordelijke heethoofd, Djindjic werd nooit moe te verklaren dat hij Kostunica er bij de haren bij had moeten slepen. Djindjic is dus dood en Kostunica is, eerst als president, later als premier steeds conservatiever geworden.
Hij heeft geen hand uitgestoken om Ratko Mladic gearresteerd te krijgen, kwam met een grondwet waarin Kosovo tot integraal onderdeel van Servië wordt verklaard en weigert de provincie, waar de Albanezen hoe dan ook de dienst uitmaken, op te geven.
Waar de Servische Radicale Partij van Vojislav Seselj (voor het Joegoslavië Tribunaal vanwege oorlogsmisdaden) uit electorale overwegingen haar gematigde gezicht laat zien, slaat Kostunica's DSS de trom van het nationalisme. Eigenlijk is het dus niet zo gek dat Ceca daar haar opwachting maakte.
Deel deze pagina
»