Een taxiritje van het vliegveld naar het oude centrum van Havana kost je al snel een gemiddeld Cubaans maandloon. Net als een uitgebreid etentje in een staatsrestaurant: omgerekend zo'n twintig euro.
Tenminste: als je buitenlander bent. Dan betaal je namelijk met pesos convertibles, de 'omwisselbare peso's', een muntenheid voor buitenlanders. Het is artificieel geld, alleen erkend door de Cubaanse regering die ook de koers vastlegt: bijna één op één.
Dat geld is niet bedoeld voor de Cubanen: hun munteenheid, de 'moneda nacional' is beduidend minder waard (zo'n 25 Cubaanse peso voor één convertible). De regering wil de buitenlander en de Cubaan zoveel mogelijk scheiden. Er zijn taxi's voor buitenlanders, die je uitsluitend met de convertibles kunt betalen en taxi's voor de Cubanen. Maar die mogen geen buitenlanders meenemen.
Lege schappen
Er zijn staatswinkels, waar de schappen vaak leeg zijn en de keuze minimaal, en er zijn winkels voor buitenlanders. Daar krijg je van alles, maar je kan er niet met de lokale munt betalen. De scheiding tussen buitenlanders en Cubanen gaat verder: een Cubaan wordt meestal de toegang tot een hotel geweigerd.
Hele stukken strand in de buurt van toeristenresorts zijn voor de lokale bevolking verboden terrein. En voor een Cubaan zijn de staatsrestaurants niet alleen veel te duur, ze zijn er meestal ook niet welkom. Zelfs praten met een buitenlander kán vervelende gevolgen hebben voor een Cubaan. Want de politie en de wijkcomités houden alles in de gaten.
Wat moet een doorsnee-Cubaan in godsnaam van zo'n toerist? Zijn geld natuurlijk. En daarom is volgens het regime iedere Cubaanse dame die met een buitenlander in contact komt mogelijk een prostituee en elke Cubaan die de globetrotter aanspreekt een potentiele afzetter of overvaller. Om maar te zwijgen over de ideologische verschillen tussen de toerist uit de kapitalistische wereld en de Cubaan in z'n socialistische heilstaat.
Ritselaars
Taxichauffeurs, portiers, obers, kamermeisjes, zij komen dagelijks in contact met de toerist, en belangrijker: hun geld. Het toerisme is Cuba's belangrijkste inkomstenbron. En werken met buitenlanders is van levensbelang voor de Cubanen.
Zij die toegang hebben tot buitenlandse valuta verdienen niet alleen beter, ze kunnen ook meer met hun geld. En dus probeert iedereen in Cuba toegang te krijgen tot de toeristen. Als het niet legaal kan, dan maar illegaal.
Elke buitenlander is een buitenkansje voor de jineteros, de Cubaanse ritselaars. "Zal ik u de weg wijzen? Ik weet een heerlijk tentje, een leuk hotelletje, wilt u goedkope sigaren of gewoon een leuk meisje?" De jinetero regelt het allemaal, uiteraard tegen betaling van convertibles, liefst zoveel mogelijk.
Apartheid
Het toerisme heeft de Cubaanse maatschappij volgens sommigen in tweeen gespleten. Er bestaat niet alleen een scheiding tussen buitenlander en Cubaan, er is ook een groot verschil tussen de Cubaan mét toegang tot de buitenlandse valuta en de arme drommels die die toegang niet hebben. "Apartheid", in de woorden van dissidenten als Marta Beatriz Roque en Oswaldo Payá. Want: "Waarom mag ik in mijn eigen land niet eens naar het strand van mijn keuze?" vraagt Beatriz Roque zich af. "Of praten met wie ik wil?".
De doorsnee toerist lijkt er weinig van te merken. In tegendeel: "Hier in Cuba voel ik me veilig. En ik heb geen last van opdringerige Cubanen", zegt een Hollandse op het prachtige strand van Varadero. Een strand alleen voor Cubaanse bewakers, souvenirverkopers en hotelmedewerkers. En zo'n twee miljoen toeristen per jaar.
