Een Australiër die door zijn expeditieleden voor dood was achtergelaten op honderd meter onder de top van de Mount Everest, blijkt de helse omstandigheden op de berg op miraculeuze wijze toch te hebben overleefd. De 50-jarige Lincoln Hall lijdt aan hoogteziekte en bevriezingsverschijnselen, maar maakt het redelijk goed.
De leider van de expeditie, Alexander Abramov, had eerder gemeld dat Hall was bezweken aan het opzwellen van de hersenen. Zijn teamleden, onder wie de Nederlandse gids Harry Kikstra, moesten hem achterlaten omdat ze voor hun eigen leven vreesden in temperaturen tot - 38 graden Celsius.
"Hij wilde niet meer verder en kon niet overtuigd worden toch mee te gaan", zegt Kikstra. "Op een gegeven moment bewoog hij niet meer en ademde hij niet meer zichtbaar. Dus dachten we dat hij dood was. Op die hoogte kun je niet zomaar iemand meenemen."
Hall bleeft de hele nacht liggen. Pas de volgende ochtend werd hij gevonden door een ander team. De Amerikaanse klimmer Dan Mazur gaf hem zuurstof en warme thee, en alarmeerde Halls expeditie. Die stuurde een reddingsteam naar boven. Later is een dokter de berg opgegaan om Hall te onderzoeken in het kamp op 7000 meter hoogte.
Kritiek
Een ander lid van Halls team, de Duitser Thomas Weber, overleefde de klim niet. Hij was teruggekeerd nog voor hij de top bereikte, maar overleed tijdens de afdaling. Hij was de vijftiende bergbeklimmer die dit jaar de dood vond op de hoogste berg ter wereld, volgens de website Everestnews.com.
Dit jaar bestijgen 82 teams de Mount Everest, iets minder dan in 2005, toen een recordaantal van 101 expedities de berg probeerde te bedwingen.
Edmund Hillary, de eerste man die ooit de top van de Everest bereikte, heeft kritiek op de commercialisering van de berg. Hij zou zijn poging om de top te bereiken hebben opgegeven om een ander lid van zijn team te kunnen redden, stelde de 86-jarige oud-klimmer.
Deel deze pagina