Het Nationaal Monument op de Dam staat ieder jaar centraal bij de dodenherdenking. Dit jaar is de belangstelling voor het gedenkteken in Amsterdam extra groot: precies 50 jaar geleden werd het onthuld door koningin Juliana.
"Een teken voor het Nederlandse volk, een teken van trouw en belofte, waarvoor een ieder zich frank en vrij mag oprichten, trouw aan de geest die onze doden en ook ons hebben geleid", zo werd de nationale betekenis van het monument op 4 mei 1956 benadrukt. "Het monument is tevens een belofte: een belofte om niet te vergeten wat ons in die bange tijd heeft bijeengebracht."
Alle aspecten
Het waren de beeldhouwer John Raedecker en de architect J.J.P. Oud die in 1948 de opdracht kregen om het monument te ontwerpen. Ze bedachten een constructie waarbij alle denkbare aspecten van de oorlog aan bod kwamen.
In het midden van de 22 meter hoge pyloon brachten zij een reliëf aan van vier mannen, waarvan één hangend, de overige drie vastgeketend. Zij verbeelden de ellende.
Aan beide zijkanten van de zuil staat op een plateau een man. Aan de linkerkant een bebaarde figuur die het verzet der intellectuelen uitbeeldt; aan de rechterzijde een man die zijn handen ten hemel heft en het arbeidersverzet voorstelt. Voor de mannen lopen honden, die smart en trouw verbeelden.
Aan de voorzijde van de pyloon, boven de mannen, staat een vrouw met een kind op de arm. Ze heeft een krans om het hoofd en er vliegen duiven om haar heen. Symbolen voor overwinning, vrede en nieuw leven.
De jodenvervolging heeft in het monument geen expliciete aandacht gekregen, en ook tijdens de onthulling werden de joden niet bij name genoemd. De jodenvervolging kreeg pas later een prominente rol in de geschiedschrijving van de oorlog.
Te koop
Om een band te creëren tussen het plein en de rest van Nederland én om het monument te financieren, werd de Dam te koop aangeboden aan de bevolking. Voor vijftig cent kon iedere Nederlander een vierkante centimeter Damterrein kopen. De opbrengst viel tegen: er werd 2 miljoen gulden ingezameld, terwijl op 12,5 miljoen gulden was gerekend.
Voor het monument op de Dam bleef daarvan 150.000 gulden over. Het geld moest namelijk verdeeld worden over meerdere monumenten en onder oorlogsslachtoffers. Omdat de obelisk op de Dam 400.000 gulden ging kosten, moest een beroep gedaan worden op allerlei fondsen.
Een andere manier om het plein te 'nationaliseren' had ook weinig succes. Vanuit alle provincies, en later ook vanuit Nederlands-Indië, werden urnen met aarde verzameld, afkomstig van fusilladeplaatsen. Het was de bedoeling dat de aarde in de fundering van het monument zou worden gestort, maar uiteindelijk kwamen de urnen terecht in de halfronde muur achter de zuil.
Kritiek
Na de onthulling in 1956 was eigenlijk niemand tevreden met het gedenkteken. Ook voor de oprichting was er al stevige kritiek op het ontwerp. In 1950 bracht de Centrale Commissie voor Oorlogs- of Vredesgedenktekens, die belast was met het beoordelen van alle oorlogsmonumenten, een negatief advies uit aan minister Rutten van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
De commissie had onder meer bezwaar tegen de "gespletenheid van het ontwerp" en vond de urnenmuur "verwerpelijk". Het ontwerp miste "de klaarheid en zeggingskracht die van het Nationale Monument mochten en moesten worden verlangd", stond in het advies.
Minister Rutten nam het advies echter niet over, omdat afkeuren van het ontwerp veel verlies van tijd en geld zou betekenen én ook opschudding in het hele land. "Ik meen, dat thans genoegen zal moeten worden genomen met dit ontwerp, dat blijkbaar datgene is, wat Nederland op dit gebied in het huidige tijdsgewricht kan opbrengen", schreef hij in 1951 aan de minister-president.
In de herfst van 1952 kregen Raedecker en Oud eindelijk de definitieve opdracht voor het Nationaal Monument op de Dam. Omdat Raedecker aan een longziekte leed, nam zijn zoon veel werk van hem over. Vier maanden voor de onthulling van de zuil overleed de beeldhouwer.
Zitten
Kort na de plechtigheid rees de vraag of het publiek aan de voet van de ronde muur en op de trappen rondom het monument mocht zitten. De Amsterdamse burgemeester d'Ailly had daar geen bezwaar tegen, zo bleek tijdens een raadsvergadering. "Als men er maar geen haringen en bokkingen en boterhammen opeet. Het zitten dient mijns inziens met distinctie en reverentie te geschieden."
Maar niet iedereen dacht daar zo over. In de jaren zestig en zeventig werd er veel geprotesteerd tegen het "oneerbiedig zitten" bij het monument en tegen 'Damslapers', jongeren die regelmatig op het plein sliepen. Er kwamen borden waarop in verschillende talen stond te lezen wat Nederland hier herdacht.
In 1970 werden zelfs bloembakken geplaatst op de trappen. Dit tot grote onsteltenis van architect Oud. Pas in 1998, tijdens een restauratie, werden de bloembakken weer verwijderd.
Deel deze pagina
