De Nederlandse staat geeft 202 schilderijen uit de Goudstikker-collectie terug aan de erven van de oorspronkelijke eigenaar, de kunstverzamelaar Jacques Goudstikker. Met dit besluit neemt staatssecretaris Van der Laan van Cultuur het advies over van de Restitutiecommissie, die zich sinds 2001 buigt over verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen.
Het besluit komt niet als een verrassing. De afgelopen weken werd al duidelijk dat de overheid de claim van de nabestaanden van Goudstikker zou honoreren.
Toch worden niet alle 267 geclaimde schilderijen geretourneerd. Veertig kunstwerken worden niet teruggegeven omdat die in 1940, toen Goudstikker overleed, vrijwel zeker niet aan de kunsthandelaar toebehoorden.
Voor 21 andere stukken geldt dat de commissie meent dat de weduwe Goudstikker hiervan in een akte uit 1952 duidelijk afstand heeft gedaan. Vier schilderijen worden vermist.
Een groot deel van de collectie hangt nu in Nederlandse musea, zoals het Rijksmuseum, het Bonnefanten, het Boijmans van Beuningen en het Mauritshuis.
Kunsthandel
De joodse kunstverzamelaar Jacques Goudstikker had voor de Tweede Wereldoorlog uitbrak, een bloeiende kunsthandel in Amsterdam. Hij bezat zo'n 1300 schilderijen en andere kunstvoorwerpen.
In mei 1940 verongelukte hij toen hij op de vlucht was voor de nazi's. Samen met zijn gezin wilde Goudstikker vanuit IJmuiden met de boot naar Engeland gaan, toen hij tijdens een wandeling op het dek in een openstaand luik viel. Die val werd hem fataal.
De moeder van Goudstikker werd gedwongen de schilderijen te verkopen aan de Duitsers. Zij hoopte zo haar leven te redden. De Duitse bankier Alois Miedl kocht de werken, maar kreeg slechts een deel van de collectie in handen. Veldmaarschalk Hermann Göring, de nummer 2 in de nazi-hierarchie, eiste de 800 belangrijkste schilderijen op. Hij betaalde daar slechts een fractie van de werkelijke waarde voor.
Na de oorlog kwamen de kunststukken voor een deel terug in Nederland, waarna ze in verschillende musea belandden. De schilderijen werden bezit van de Nederlandse Staat, vertegenwoordigd door de Stichting Nederlands Kunstbezit.
De Staat bood Goudstikkers weduwe Desiree kort na de oorlog de mogelijkheid op 'rechtsherstel' voor de deal met Göring. In ruil voor een deel van de twee miljoen gulden die de verkoop de familie Goudstikker had opgeleverd, kon ze de doeken terugkrijgen. De weduwe, die inmiddels in New York woonde, ging daar niet op in, mede omdat veel schilderijen zwaar beschadigd waren.
Claim
In 1997 besloot de schoondochter van Goudstikker, erfgename Marei von Saher, tot een claim op de kunstcollectie. Die bestond uit 267 werken, van onder meer Van Goyen, Ruysdael en Steen. Ook waren er werken bij van Van Dyck, Van Ostade, Lippi, Teniers, Bilders, Koekkoek, Longhi, de Hondecoeter, ter Borch, Wouwerman en Van Mieris. De toenmalige staatssecretaris Nuis wees de claim in 1998 af.
Drie jaar later was er nieuwe hoop voor Von Saher: de regering besloot tot de instelling van een Restitutiecommissie. Die commissie moest vaststellen welke kunst tijdens de oorlog onvrijwillig van eigenaar was veranderd. Doorbordurend op de bevindingen van de eerdere onderzoekscommissie-Ekkart gingen morele overwegingen sterker gelden dan juridische. Op grond daarvan diende de familie Von Saher een nieuw verzoek in bij de staatssecretaris.
Von Saher, als weduwe van Goudstikkers zoon Edo de eerste erfgename, sprak in een reactie over "een droom die is uitgekomen". "Na jaren van emotionele ups en downs hebben we nu eindelijk bereikt wat mijn schoonmoeder Desi direct na de oorlog helaas niet voor elkaar kreeg. Haar missie om de naam Goudstikker te zuiveren en zijn bezit terug te claimen is de mijne geworden."
Musea
De beslissing heeft verstrekkende gevolgen voor de musea die de Goudstikker-stukken nu tentoonstellen. De staatssecretaris heeft laten weten dat die niet op compensatie hoeven te rekenen voor het verlies van de werken. Zij wijst erop dat de Nederlandse staat eigenaar was en dat de musea de kunstwerken slechts in bruikleen hadden.
Dit tot teleurstelling van directeur Alexander van Grevenstein van het Bonnefanten in Maastricht: "Het gaat om meer dan bruikleen. De afgelopen jaren heeft het museum de werken uit de collectie in een grote campagne onderzocht en gerestaureerd. Het zou netjes zijn als de Staat wel compenseert", aldus de directeur die zei dat het besluit "een groot gat" slaat in het Nederlands kunstbezit.
Overigens is er nog hoop voor de musea. De overheid gaat nu onderhandelen met de erfgenamen in de hoop dat die besluiten een deel van de collectie opnieuw in bruikleen te geven aan de musea.
Deel deze pagina