Geachte raad,
In navolging van onze brief van 24 november stellen wij u hierbij op de hoogte van onze besluiten inzake de cellencomplexen Schiphol.
Op maandag 28 november 2005 heeft een delegatie van ons college gesproken met de minister van Justitie, de heer Donner, over de brief die wij u op 24 november hebben gezonden inzake de stand van zaken rond de cellencomplexen Schiphol.
Tijdens dit gesprek hebben wij het dilemma geschetst waar wij als bestuurders voor staan. Wij hebben in korte tijd moeten constateren dat afspraken pas na herhaald controleren en het opleggen van dwangsommen werden nagekomen. Dit heeft ons vertrouwen in de wijze waarop het ministerie omgaat met de veiligheid in de cellencomplexen geschaad. Hoewel wij als gemeente niet primair verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van de complexen, merken wij steeds opnieuw dat het ministerie pas na aandringen van onze kant, de zaken in orde maakt. In het gesprek van 28 november 2005 heeft de minister ons niet kunnen overtuigen dat de toekomst verbetering zal brengen.
Tevens hebben wij tijdens dit gesprek expliciet aandacht gevraagd voor de maatschappelijke impact die de brand in het cellencomplex heeft en de emoties die het handelen van het ministerie bij de politiek heeft opgeroepen. De minister staat op het standpunt dat uit onderzoek moet blijken wat de oorzaak van de brand is geweest. De minister is van mening dat het gebouw voldoet aan alle thans geldende eisen en er geen rechtvaardigingsgrond is tot een andere behandeling van het cellencomplex op Schiphol dan andere cellencomplexen in het land. Mochten de uitkomsten van het onderzoek van de Rijksrecherche en de Raad voor de Veiligheid anders zijn dan zal daar naar worden gehandeld. Wij delen deze conclusie niet en zijn van mening dat wij daarmee onze bestuurlijke verantwoordelijkheid niet kunnen waarmaken.
Tot slot hebben wij tijdens het gesprek aangegeven dat wij een definitieve vestiging van het gehele complex op de huidige locatie niet voorstaan, maar dat wij uiteraard wel bereid zijn mee te denken in oplossingen voor herhuisvesting. De minister wenste echter een scheiding aan te brengen tussen de huidige situatie en de situatie na 23 april 2006.
Los van het gesprek met de minister hebben wij geconstateerd dat het gedrag van gedetineerden sinds de brand van 27 oktober is veranderd. Er worden aantoonbaar meer pogingen gedaan tot brandstichting in cellen. Gedetineerden hebben gemerkt dat ontsnapping na brand mogelijk is en stichten nu willens en wetens brand in hun cel. Wij hebben er geen vertrouwen in dat nieuwe voorwaarden de brandveiligheid van het pand kunnen waarborgen. Het college kan voorts niet uitsluiten dat uit de onderzoeken naar de oorzaken van de brand blijkt, dat de brand het gevolg is van het niet naleven van voorwaarden die verbonden waren aan de gebruikvergunning. Op grond van de bouwverordening kunnen wij een gebruiksvergunning intrekken indien blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de vergunning.
Dit geheel heeft ons doen besluiten om de volgende lijn te kiezen. Ons besluit is vier-ledig:
1. het weigeren van de door de minister gevraagde artikel 19-vrijstelling voor depermanente vestiging van het complex;
2. het ministerie zal op de hoogte worden gesteld van het feit dat de instandhoudingstermijn van de tijdelijke bouwvergunningen afloopt op 23 april 2006 en dat het terrein na die datum in de oorspronkelijke staat moet worden opgeleverd. Tevens wordt de eigenaar in de gelegenheid gesteld een sloopvergunning aan te vragen.
3. het tijdelijk, voor de duur van de onderzoeken, intrekken van de gebruiksvergunningen van de afdelingen A tlm H en de afdelingen L en M;
4. het aanzeggen van bestuursdwang teneinde binnen 36 uur de hiervoor genoemde afdelingen te sluiten. Wij zullen de minister in de gelegenheid stellen binnen 24 uur zienswijze naar voren te brengen over de besluiten 3 en 4. In het gesprek van 28 november heeft de minister al aangegeven dat uit onderzoek moet blijken wat de oorzaak van de brand is geweest en dat aanvullende maatregelen alleen gerechtvaardigd zijn in relatie tot de uitkomsten van het onderzoek.
De minister is bevoegd tegen de besluiten 1, 3 en 4 bezwaar te maken en een voorlopige voorziening te vragen.
Alles overwegende zijn wij van mening dat wij onze bestuurlijke verantwoordelijkheid moeten nemen en achten het niet langer verantwoord om het gebruik van de cellencomplexen te laten voortduren totdat de uitkomsten van de onderzoeken naar de brand bekend zijn. Dit laat onverlet dat wij nog steeds bereid zijn om met het ministerie te zoeken naar alternatieve locaties voor herhuisvesting van het gehele complex.
Hoogachtend,
burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer

»
»
»