De armoede in Nederland is de laatste jaren gegroeid. Dit jaar moeten 680.000 huishoudens rondkomen met een laag inkomen. Dat zijn er 100.000 meer dan in 2002. De armoede treft vooral allochtonen.
Gezinnen met jonge kinderen zitten vaker onder de armoedegrens. Van de kinderen onder de achttien leeft 12,5 procent in een gezin met een laag inkomen. Vaak zijn dat eenoudergezinnen en huishoudens met een uitkering.
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), die deze cijfers naar buiten hebben gebracht, trekken de grens voor een laag inkomen bij 850 euro netto per maand voor een alleenstaande. Voor een gezin met twee kinderen is dat 1595 euro.
In ongeveer een kwart miljoen huishoudens zijn de vooruitzichten somber. Voor hen is het financiëel niet aantrekkelijk om weer of meer te gaan werken, omdat ze dan compenserende toeslagen zoals huursubsidie verliezen.
Gemiddeld heeft 9 procent van de bevolking weinig te besteden, maar het keerpunt is volgens SCP en CBS in zicht. De verwachting voor volgend jaar is dat ten dat het aantal huishoudens met een laag inkomen weer afneemt.
Wel vrezen de bureaus dat de armoede de komende decenia verder 'verkleurt'. SCP en CBS wijzen er in hun Armoedemonitor 2005 op dat oudere allochtonen minder AOW en/of pensioen hebben opgebouwd.
Etnische wrijving
Het risico bestaat dat de groep armen straks voor een groter deel bestaat uit vergrijsde, laagopgeleide en betrekkelijk slecht geïntegreerde allochtonen, die bij elkaar in de buurt wonen. "In het licht van de etnische wrijving van de laatste jaren is dat geen aanlokkelijk perspectief."
Bij Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse groepen hebben ongeveer drie op de tien huishoudens een laag inkomen. Dat is vier maal zoveel als bij autochtonen. Bij Somalische, Afghaanse en Irakese huishoudens is het zelfs een op twee.
In het algemeen zegt bijna een op de tien huishoudens schulden te moeten maken. In 2002 was dat nog een op de twintig. In de laagste inkomensgroepen hebben vier op de tien huishoudens minder geld dan ze zelf noodzakelijk vinden.
De financiële positie van ouderen heeft zich de laatste vijftien jaar gunstig ontwikkeld. Onder 65-plussers zijn er minder huishoudens met een laag inkomen dan bij mensen die niet met pensioen zijn. In 1995 was de armoede bij ouderen nog groter dan bij mensen die nog geen 65 jaar waren.
De opgelopen werkloosheid speelt bij de toegenomen armoede een bescheiden rol. Want een groeiend aantal huishoudens met een laag inkomen werkt. Van de 64 duizend huishoudens met een laag inkomen die er tussen 2001 en 2003 zijn bijgekomen, behoren 47 duizend tot de nieuwe 'werkende armen'.

»
»
»