Door Wilma van der Maten, correspondent van het Radio 1 Journaal in Indonesië.
Met de auto vol vrouwen, mijn Indonesische assistente, twee tieners uit Nederland (dochters van vrienden) die naar Atjeh wilden voor hun scriptie over de tsunami, en mijn dochter (2,5) vertrekken we vanuit een zonnig Medan naar Atjeh.
Na een paar uur staan we tot onze enkels in de modder in een nieuw barakkendorp aan de oostkust van Atjeh. Onder een afdakje schuilt een groepje kinderen. Op het strand staan de resten van hun oude huizen. Weggespoeld door de tsunami op tweede kerstdag. In brand gestoken of kapot geschoten door de oorlog. In Atjeh is bijna geen gezin te vinden dat door de jarenlange oorlog of door de tsunami niet een familielid is kwijtgeraakt.
Trauma
Als een geslagen hond kruipt de 10-jarige Hafidzi in het hoekje van de houten barak weg als ik hem vraag hoe het met hem gaat. "Mijn broertje heeft een trauma", zegt zijn zusje Trida (12). Ze vertelt dat op tweede kerstdag haar ouders met Hafidzi en haar andere broertje (3,5) en zusje (7) op het strand voor hun vissershuisje aan het spelen waren toen de metershoge golven kwamen.
Hafidzi zag hoe de ruwe zee zijn broertje en zusje meenam. Sindsdien praat hij nauwelijks meer. Trida voelt zich schuldig omdat zij de ramp heeft overleefd. Internationale hulporganisaties gaven de inwoners van dit dorpje barakken. De lokale overheid brengt ze soms nog wat rijst en sardientjes. Maar Trida zou graag over het verlies van haar broertje en zusje willen praten met een traumatoloog. Maar ze weet niet hoe ze met zo iemand in contact kan komen.
De twee tieners uit Nederland zijn helemaal stil van het verhaal.
Weeshuis
Uitgelaten rent mijn dochter samen met de 8-jarige Sufi over het modderige grasveld naast het Baitturrahman Jongeren Centrum in de stad Lhokseumawe. Voor haar is deze reis langs de oostkust van Atjeh vakantie.
Ze begrijpt er niets van als Sufi geëmotioneerd vertelt over de dood van zijn vader op tweede kerstdag. Samen met 150 andere tsunami-slachtoffers woont hij nu in dit 'weeshuis'. Zijn moeder leeft nog maar kan niet voor hem zorgen. Ze woont in een vluchtelingenkamp. Bijna alle kinderen zijn door hun moeder tijdelijk hier naar toe gebracht. Sufi slaapt 's nachts erg slecht. Hij kan de dood van zijn gehandicapte vader moeilijk verwerken.
Cynisch
De regenwolken trekken weg, maar het zonnetje fleurt ons niet op. De ingrijpende verhalen van de kinderen in de vluchtelingenkampen en in de armoedige dorpjes maken ons somber.
De kinderen in Atjeh hebben zoveel ellende meegemaakt. Voor de tsunami vochten Indonesische soldaten meer dan 25 jaar met de rebellen van de Beweging voor een Vrij Atjeh (GAM). Ruim 20.000 burgers kwamen tijdens deze vergeten oorlog om.
De tieners uit Nederland vinden het cynisch, dat er eerst een ramp als de tsunami nodig was om de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel te krijgen. Sinds twee maanden is er vrede. Maar daarmee krijgen de kinderen van Atjeh hun vader niet terug.
Rebellen
De 9-jarige Basri mist zijn vader, die een lokale rebellencommandant was. Indonesische regeringssoldaten schoten hem twee jaar geleden dood en arresteerden zijn moeder, een inong balee (vrouwelijke guerrilla). Na het vredesakkoord kwam ze vrij. Maar ze kan financieel niet voor haar zoontje zorgen.
Ook de rebellenbeweging (GAM) heeft bloed aan zijn handen. De ouders van Hasbi (11) zijn beiden door rebellen gedood, omdat die dachten dat ze spionnen van het Indonesische leger waren. Beide jongens wonen samen op de pesantren (moslim-kostschool) Al-Ishlah in Banda Aceh.
Meer dan honderd jongens en meisjes zonder vader of moeder verblijven hier. Volgens directeur Tengku Bulgaini zijn de kinderen getraumatiseerd. Hij weet niet hoe hij ze moet opvangen. Hij leest veel met ze uit de Koran. Hij hoopt dat internationale hulporganisaties deze vergeten kinderen willen helpen.
Deel deze pagina