De Nederlandse Staat moet een 51-jarige man vóór 1 december plaatsen in een tbs-kliniek. Dat heeft het gerechtshof in Arnhem in kort geding bepaald.
De man, die in 2001 werd veroordeeld tot twee jaar cel en tbs vanwege ontucht met twee meisjes, had een kort geding aangespannen, omdat hij vindt dat hij veel te lang op opname in een kliniek moet wachten.
Volgens het Europese Hof moeten veroordeelden binnen zes maanden worden behandeld, maar de tbs'er zit nog altijd in een gewone cel.
In juni werd de man al in het gelijk gesteld door de voorzieningenrechter in Arnhem. Die stelde dat hij vóór 1 september 2005 in een tbs-kliniek moest worden geplaatst. De Staat ging tegen dat vonnis in beroep, maar kreeg opnieuw nul op het rekest. Wel heeft het hof de plaatsingstermijn iets verlengd.
Groot tekort
De Staat voerde aan dat tbs-klinieken in Nederland kampen met een groot tekort aan plaatsen en dat de man daarom op een wachtlijst staat. Het duurde overigens even voordat hij op een wachtlijst kwam: hij ging meerdere malen in beroep waardoor zijn veroordeling lange tijd niet definitief was.
Het hof onderkent de capaciteitsproblemen bij tbs-klinieken en noemde het redelijk dat iemand pas op een wachtlijst komt als de veroordeling definitief is. Toch heeft de man volgens het hof genoeg "zwaarwegende redenen" aangevoerd om in het gelijk te worden gesteld.
Zo werd de tbs'er al in 1999 vastgezet. In 2002 werd hij vrijgelaten en in 2003 weer ingesloten wegens gevaar voor herhaling. Daardoor heeft hij veel langer vastgezeten dan de twee jaar celstraf die hij naast de tbs kreeg opgelegd.
De gemiddelde wachttijd voor tbs-veroordeelden, was in 2003 ongeveer vijftien maanden. Het hof vindt dan ook dat de Staat in deze zaak verplicht is concreet uitzicht te bieden op een plaatsing, waarbij de termijn niet langer mag zijn dan vijftien maanden.
Deel deze pagina
»
»
»