Met een klap op de gong was het gebeurd vanochtend: Koninklijke/Shell is niet meer. Vanaf woensdag is het Royal Dutch Shell, ofwel RDS. Eén bedrijf en één eerste man.
Bijna een eeuw lang bestond Shell uit twee nationale houdstermaatschappijen, een Nederlandse en een Britse. Volgens Angelsaksisch model komt alles nu onder één Britse holding. Wel versterkt het zijn hoofdkantoor in Den Haag en blijft Royal Dutch Shell voor de Nederlandse fiscus een Nederlands bedrijf.
Maar 'de Koninklijke' behoort voorgoed tot het verleden. President-commissaris Aad Jacobs, in de nieuwe structuur 'non-executive chairman' : "Aan de ene kant is er droefheid over het afscheid, aan de andere kant blijschap over de nieuwe start."
Tabaksplanter
De geschiedenis van Koninklijke olie overspant méér dan een eeuw. Voor het prille begin moeten we terug naar 1883. In dat jaar raakt tabaksplanter A. J. Zijlker in het gelukkige bezit van een concessie van de sultan van Langkat, in toenmalig Nederland-Indië, voor de opsporing en winning van aardolie in Noord-Sumatra.
In 1890 richt Zijlker de 'Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië' op. "De Koninklijke met de lange naam", noemt Wim Wennekes het startende oliebedrijf in zijn boek De Aartsvaders.
De coöperatie met de Britten komt pas zestien jaar later, onder regie van aartsvader Henri Deterding. In 1906 gaat de Koninklijke intensief samenwerken met Shell Transport & Trading, in een tijd dat internationale fusies nog een volslagen noviteit zijn. De Britten introduceren de befaamde schelp - het Londense bedrijf is ooit begonnen als een winkeltje in zeeschelpen.
De fusie blijkt een gouden greep. De combinatie breidt de activiteiten - aanvankelijk alleen in Indië - gestadig uit en vele tienduizenden Nederlanders kopen aandelen. Het is een echt volksaandeel, constateert Deterding: "In het effectentrommeltje van iedere weduwe en wees zit een aandeeltje Koninklijke".
Het blijkt geen slechte investering. De waardepapieren van toen zijn door de jaren heen verduizendvoudigd in waarde. Een aandeel uit 1890 van omgerekend 1000 euro is nu 4,4 miljoen euro in nieuwe aandelen waard. En daar komt nog eens 3,3 miljoen bij van door de jaren heen uitgekeerd dividend. Dat was die eerste jaren echter niet te voorzien. In 1898 gooiden woedende beleggers nog de ruiten in bij de directeur van de Koninklijke toen de koers plotseling was ingestort.
De ongekende winsten leiden na de oorlog ook tot speculaties over het vermogen van de Oranjes, die vijf procent van het aandelenkapitaal zouden bezitten. Forbes schat het vermogen eind jaren negentig op 2,5 miljard dollar. Maar Prins Bernhard draait die mythe uiteindelijk vakkundig de nek om: de Oranjes bezitten nog geen duizendste procent van het aandelenkapitaal. Toch nog altijd goed voor één miljoen euro.
Woelige tijden
Het succes op de beurs wil niet zeggen dat Shell geen woelige tijden heeft gekend. Deterding, alleenheerser in het concern, stuit in de jaren dertig op steeds meer weerstand, zeker als hij een tijdschrift met Nazi-symphatieën financieel steunt. Hij vertrekt in 1936.
Na de oorlog - tijdens de bezetting verhuist de directie tijdelijk naar Curaçao - keert de rust terug. Deterdings opvolgers zijn juristen en economen die voortdurend naar consensus zoeken. Het concern groeit door, in 1954 wordt voor het eerst op de beurs van New York in Shell gehandeld en twee jaar later moet de onderneming het steeds duurdere aandeel op in twintig kleinere aandelen opsplitsen.
Decennialang blijft Koninklijke/Shell een mammoettanker die zich - terecht of niet - nauwelijks uit koers laat brengen. Of de onderneming nou wordt verketterd voor de aanwezigheid in Zuid-Afrika met zijn apartheidsregime in de jaren tachtig, of dat ze in de jaren negentig verwikkeld raakt in een enorme rel rond het afzinken van de Brent Spar. Pas na massale publieksacties gaat de oliereus overstag en wordt het oude olieplatform naar een fjord gesleept om te worden gesloopt.
De grootste klap krijgt Shell misschien wel in 2004. De directie moet bekendmaken dat de oliereserves voor miljarden te veel in de boekhouding staan. Topman Philip Watts moet met nog twee managers vertrekken en in de maanden die volgen moeten de bewezen olie- en gasreserves tot vijf keer toe worden bijgesteld. In totaal worden 5,75 miljard vaten afgeboekt, een domper op de recordwinst die Shell in 2004 realiseert. Pas als 240 miljoen dollar aan boetes is betaald kan Shell de affaire achter zich laten.
Waterstof
De nieuwe, strakkere organisatievorm is een gevolg van de reservekwestie. Aandeelhouders wijtten die mede aan de tweeledige structuur. Daarnaast staat de affaire niet los van de problemen die het concern ondervindt met de zoektocht naar nieuwe olievelden en de ontginning daarvan.
In 2004 vindt Shell nog vijftien veelbelovende grote velden, maar daarvan blijken er slechts vijf echt interessant te zijn. Shell is dan ook hard bezig met het zoeken naar de meest rendabele niet-fossiele brandstof, als zonne-energie of waterstof, maar dat is een lange termijnstrategie. Andere brandstoffen worden pas over enkele tientallen jaren economisch echt interessant.
Maar hoeveel er ook verandert, sinds de petroleumhandel van tabaksplanter Zijlker is één ding hetzelfde gebleven: de invloed van het concern - tegenwoordig de op drie na grootste multinational ter wereld gemeten naar de omzet. De Koninklijke levert in de jaren dertig zelfs een premier, Hendrik Colijn. Latere topmannen als Wagner en Herkströter bemoeien zich voortdurend met het beleid in Den Haag, tenminste, waar dat de belangen van de oliegigant raakt.
Want het concern is zich altijd bewust geweest van zijn unieke positie in het Nederlandse bedrijfsleven, als pijler en motor van de economie. President-directeur Brouwer verwoordt het in 1966 in één simpele wapenspreuk: "Wat voor het bedrijf het beste is", zegt hij in een interview met Bibeb, "dat is het beste voor Nederland".

»
»
»