'Angst rechercheurs tunnelvisie'

Aangepast op
Binnenland

Rechercheurs zijn in hun opsporingsonderzoek bang om te snel een dader aan te wijzen. Dat concludeert bijzonder hoogleraar Ira Helsloot van de Radboud Universiteit in Nijmegen, die onderzoek deed naar tunnelvisie bij de politie.

Sinds de Schiedammer parkmoord en de Puttense moordzaak probeert de politie niet te snel conclusies te trekken en vaak meer opties open te houden, ook als de dader duidelijk in beeld is. In die geruchtmakende moordzaken werden mensen veroordeeld die achteraf niets met de zaak te maken hadden.

In verband daarmee werd de politie tunnelvisie verweten. Rechercheurs richtten zich helemaal op een paar verdachten zonder naar andere opties in de zaak te kijken. Volgens Helsloot is die tunnelvisie nu helemaal verdwenen en doorgeslagen naar het andere uiterste.

Politiemensen durven volgens hem niet meer snel conclusies te trekken, ook als het onomstotelijk vaststaat dat ze de dader hebben. "Ze zijn nu heel erg gefocust op het voorkomen van focus. Dat betekent dat ze veel onderzoeksenergie verspillen door heel lang iets open te houden."

Daardoor worden er volgens de onderzoeker te lang rechercheurs ingezet in zo'n zaak, terwijl andere zaken blijven liggen. Dat zou volgens Helsloot moeten veranderen.

In zijn onderzoek moesten de politiemensen een realistisch spel spelen, waarbij ze telkens iets meer informatie over een zaak kregen. Op basis daarvan moesten ze conclusies trekken.