»
Barack Obama en Mitt Romney
AFP Door correspondent Eelco Bosch van Rosenthal
De immens populaire Chris Christie, gouverneur van New Jersey, deed er deze week nog maar een schepje bovenop. Donderdagochtend - de dag na het eerste verkiezingsdebat in Denver - zou Amerika in een veranderd politiek landschap wakker worden, voorspelde hij, waarin Romney na een soeverein optreden de leiding in de race om het presidentschap zou overnemen.
Sceptici (guilty as charged) kunnen hier een poging van Christie vermoeden om de verwachtingen nog verder op te kloppen, zodat het alleen maar tegen kan vallen en Christie weer een concurrent minder heeft in de strijd om de Republikeinse nominatie in 2016. Maar op de hogere verdiepingen van de televisiezenders werd ongetwijfeld hoopvol geknikt: de debatten moesten een induttende race weer een dosis excitement toedienen. Goed voor de kijkcijfers: 'the most consequential debate in American history'.
Wie die geschiedenis bestudeert, zal zien dat het doorgaans wel meevalt met de impact van debatten. De archieven puilen uit van de oneliners en blunders die elke journalist, elke politicus in Washington uit zijn hoofd kent. Maar dat betekent niet dat ze de race wezenlijk beïnvloed hebben.
Radio vs tv
'In de mythologie van de moderne verkiezingscampagne bestaat niets groters dan de debatten', schrijft Nate Cohn in het tijdschrift The New Republic, om het belang vervolgens met een aantal klinkende voorbeelden onderuit te halen. Beroemd was het allereerste tv-debat, dat tussen Kennedy en Nixon in 1960. Het verhaal is als volgt: Nixon 'won' bij de radioluisteraar, maar de tv-kijker zag een vermoeid ogende kandidaat die ook nog eens ongeschminkt was, en zijn energieke, jeugdige tegenstander de vrije doorgang naar de winst gaf.
Maar dat Kennedy met de tv-debatten de race op zijn kop zette, zoals de mythe wil, klopt niet. Voor aanvang stond Nixon slechts een procentpunt voor in de peilingen; uiteindelijk won Kennedy met een voorsprong van nog geen kwart procentpunt. 'Allesbeslissend' kan je die debatten dus niet noemen, schrijft Cohn terecht. Hetzelfde verhaal voor 1992 en 1996: Bill Clinton veegde zijn tegenstanders van het podium, maar zijn uiteindelijke winst was een stuk nipter dan de peilingen voor het debat deden vermoeden.
Andersom hoeft een stuntelende kandidaat zijn ambities niet gelijk op te bergen. Ja, in 1976 verloor Gerald Ford van Jimmy Carter. Maar wie Ford tijdens een debat hoorde zeggen dat er "geen Sovjet-overheersing van Oost-Europa" bestond, had ongetwijfeld een grotere marge vermoed dan de schamele twee procentpunten waarmee Carter hem uiteindelijk versloeg.
Nog onbeslist
Het kan dus alle kanten op. Omdat beide kampen dat heel goed weten, maken ze hun eigen kandidaat heel klein en de ander heel groot. Team-Romney zei nog nét niet dat Cicero Obama's veters nog niet had mogen strikken, maar veel scheelde het niet. Team-Obama maakte afgelopen week duidelijk dat regeren en een debat voorbereiden eigenlijk niet samengaan. Druk-druk-druk, we moeten maar zien hoe het gaat.
Die 'expectations game' is een vast onderdeel van het spel, waaraan de media gretig meedoen. Zo werd George W. Bush uiteindelijk de 'morele winnaar' van zijn debatten met Al Gore, want van hem (erkend dossiervreter en zittend vice-president) werd veel meer verwacht. Dito bij Palin vs Biden in 2008. De enige die zich niet aan de afspraken houdt is Chris Christie, maar die had - you heard it here first - dus een bijbedoeling.
Deel deze pagina
»
»