'Wandaden verzet verbloemd na de oorlog'

Aangepast op

Door redacteur Lambert Teuwissen

"Ik heb altijd ergenis gevoeld bij officiële gelegenheden. 4 mei, die minuut stilte met koperblazers en de gestreken vlag, daar krijg ik ontzettend de kriebel van. Ik voel dan dat er iets van een mythe in de lucht hangt. Al die heldhaftige gedaantes op dat monument, daar kan ik niet zo goed tegen. Ik weet dat dat niet de werkelijkheid was van het gewapende verzet. De beeldvorming werd na de oorlog vervalst."

Maarten van Buuren schreef het boek 'De Afrekening', over het gewapende verzet in zijn geboortestreek, het Westland. Als uitgangpunt nam hij de dood van Lein Francke, een derderangs NSB-lid uit Maassluis, die op 8 mei 1945 werd doodgeslagen tijdens een verhoor. "In eerste instantie wilde ik het opnemen als een voetnoot in een ander verhaal, maar ik ben eraan gaan trekken en viel van de ene verbazing in de andere."

Doodgeslagen

Centraal in het verhaal staat Piet Doelman, de leider van het verzet in Zuid-Holland. Vlak voor de bevrijding werd hij door stom toeval opgepakt door de Duitsers. Zijn auto kreeg pech en toen enkele Duitsers en collaborateurs hulp wilden bieden, werd de voortvluchtige Doelman herkend. Hij werd opgesloten in het Oranjehotel in afwachting van zijn executie.

Voordat Doelman de kogel kon krijgen, werd hij door de oprukkende geallieerden bevrijd uit de gevangenis. Hij keerde direct terug naar Maassluis, waar hij de gevangengenomen NSB'er Francke bij zich riep. Samen met enkele handlangers, onder wie leden van de politie, sloegen ze op de verraste Francke in. Hij overleed enkele uren later aan interne bloedingen.

Doelman deed voorkomen alsof het een uit de hand gelopen verhoor was geweest, maar daar gelooft Van Buuren niks van. "Hij was bezeten van dolle rancune. De eerste om wie hij vroeg was Jaap Francke, de meest in het oog lopende gevangen NSB'er. Toen die te ziek was, werd het zijn vader. Pure willekeur."

Maffiaclub

Hoe meer onderzoek Van Buuren deed naar Doelman, hij meer hij ervan overtuigd raakte dat de dood van Franke geen incident was. "Het is niet zo dat die moord op zichzelf staat, wat ik in eerste instantie dacht. Als je verder doorspit, blijkt dat Doelman zich schuldig heeft gemaakt aan meer van dit soort dingen. Een dag later herhaalt het trucje zich even zo leuk ergens anders: weer laat hij NSB'ers bij zich brengen en slaat ze in elkaar."

De wortels van dat meedogenloze gedrag vindt Van Buuren in de oorlog. "Het probleem ligt dieper, in de kern van de status van het verzet. Je trekt een bepaald soort volk aan, dat lak heeft aan de wetten van de bezetter. Door de illegaliteit worden ze vogelvrij en rücksichtslos. Ruige jongens met stenguns, die hou je niet zo maar in het gareel. Wij hebben de wapens en dus maken wij de dienst uit."

Volgens Van Buuren groeide de club rond Doelman zo uit tot "een soort maffiaclub", met Doelman als peetvader omringd door soldaten en officieren. Buitenstaanders namen dat op de koop toe. "Men wist wel dat het ruige jongens waren die dingen deden die het daglicht niet konden verdragen. Dat was de prijs voor gewapend verzet. Ik kan er ook geen andere vorm voor bedenken."

Buit

"Je ziet dat persoonlijke belangen en nationaal belang door elkaar heen gaan lopen", stelt Van Buuren. "Roofovervallen zouden gepleegd zijn voor Joden, onderduikers en andere behoeftigen, maar als je nagaat waar die spullen naartoe gingen, dan zie je dat het naar het verzet zelf ging. Ik heb heel nauwkeurig alle getuigenverklaringen doorgelezen over roofovervallen, hoe groot de buit was, wat er allemaal was buitgemaakt aan vlees en graan en geld, maar je leest nergens waar het naartoe gaat. Als ik de leider was en overvallen had gepleegd voor mensen die van de honger omkwamen, als een soort Robin Hood, dan had ik in de verslaggeving zeker gezegd naar wie dat was toegegaan, maar nergens doen ze dat."

Wel vond Van Buuren een getuigenis van een andere begunstigde: zijn eigen oom Dries, die ook bij het verzet zat. "In zijn dagboek schrijft hij dat zodra hij lid werd, hij een voedselpakket ontving. Een kilo vlees, brood en boter. Daar ging de buit dus naartoe."

Rookgordijn

Waar Van Buuren vooral moeite mee heeft, is dat de daden van de groep na de oorlog werden witgewassen. "Men is het gaan mooimaken, heiligen. Er werd een dik rookgordijn opgetrokken. Medewerkers kregen in harde termen te horen nooit iets te mogen loslaten, zeker niet over de roofovervallen en liquidaties."

Ook de officiële geschiedschrijvers maakten zich schuldig aan het het in stand houden van de mythe, meent Van Buuren. Loe de Jong basseerde zijn analyse bijvoorbeeld op onderzoek van de verzetsmensen zelf. "Die waren vijf jaar bezig geweest iedereen te ondervragen en alle dagboeken en brieven te vinden. Modelwerk noemde De Jong het."

"Maar daar wordt de weeffout gemaakt: alle vormen van verzet worden op één hoop gegooid. Gewapend verzet zou een tak van de hulp aan onderduikers zijn, maar in feite ging het autonome eenheden. Die jongens hielden zich bezig met hele andere dingen: sabotage, liquidaties en nauwelijks met hulp aan onderduikers."

Grijswaarden

Van Buuren hoopt met zijn boek de grijswaarden terug te brengen in het verhaal. "De tegenpartij, de NSB, wordt ook sterk overdreven, verduiveld. De neiging is om klakkeloos aan te nemen dat alle NSB'ers landverraders waren, jodenverraders, uit op eigen gewin. Maar neem de poelier uit de straat waar ik opgroeide, een groepsleider van de NSB. Die hielp verschillende mensen door wat eieren of kip langs te brengen. Eigenlijk precies wat Doelman en de zijnen zeiden dat ze deden."

Maarten van Buuren – De Afrekening – Lemniscaat – ISBN: 9789047704119