Twee mooiste gedichten van het jaar

De twee winnaars, met juryvoorzitter Anne Vegter in hun midden Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

Twee dichters moeten dit jaar de prijs voor beste gedicht van het jaar delen. De jury van de Turing Gedichtenwedstrijd, het grootste poëzieconcours van het Nederlandse taalgebied, besloot dat 'Witlof' van Ruth Lasters en 'De zotte Charlotte' van Laurens Hoevenaren even goed zijn. 

De twee winnaars doen niet voor elkaar onder, zegt de jury onder leiding van Dichter des Vaderlands Anne Vegter. "Waar de ene een messcherp beeld van een historisch drama schetst, toont de ander een kraakhelder onderzoek naar het ontstaan van taal."

De Turing Gedichtenwedstrijd is 's werelds lucratiefste prijs voor één gedicht. De hoofdprijs is 10.000 euro, die Lasters en Hoevenaren nu dus moeten delen. Iedereen kan inzenden en de jury beoordeelt de gedichten anoniem.

Het was dit jaar de zesde editie van de wedstrijd. 3319 dichters zonden ruim 10.000 gedichten in. De winnaars werden vanavond in de Amsterdamse stadsschouwburg bekendgemaakt op het Gedichtenbal, de afsluiting van de landelijke Poëzieweek.

Witlof

De afzonderlijke oerknallen van

dingen, het (ontstaans)eureka van sorbet, papier, de slede, radio-

golven, de dasknoop, het elektron, poedersuiker. Was het
in stolpen maar ergens bewaard. Grote glazen reservoirs

waaronder men dan bij verwonderingverlies, bij bovenmatig balen
inhaleren kon het prilste, prettigste begrippen-

begin, ontdekkingsenthousiasme.
Dan in zo’n stolp met jou te staan, diep in te ademen de kick

van de vondst van wat wij daarna dan verzoend en -strengeld
weken aten: rauwe, bleke losgewoelde ledematen van

de aarde. 

De zotte Charlotte

Op kousenvoeten sluip ik naar het dagverblijf
– ook ’s nachts blijf ik gekleed als dame –
en zie het licht achter de tralieramen
dat alle zinsbegoocheling verdrijft.

Ik tel de dagen, schrijf ze in mijn waaier
met tekenen die niemand lezen kan of zal.
Mijn geest wordt alle dagen taaier
al voeren ze me gif en slachtafval.

Het enige bezoek is van mijn gouvernante.
Ik vraag haar steeds een jurk met diep decolleté;
ze brengt alleen borduurwerk voor me mee
en nooit een groet van oom en tante.

En als ik bij het weggaan vraag:
‘Was het een jongen of een meisje, leeft het nog?’
dan mompelt ze plots heel erg vaag
en zegt alleen: ‘Ach kindje toch.’