Een polikliniek voor de Q-koorts is voorbeeldig

Columnist Bert Brunninkhuis» Columnist Bert Brunninkhuis Foto: Bert Brunninkhuis/NOS

Door columnist Bert Brunninkhuis

Q-koortspatiënten, waartoe ik behoor, zijn niet in staat veel aan hun eigen situatie te doen en te veranderen, zei ik gisteren. Daarvoor ontbreekt eenvoudig de kennis, de informatie en het organisatievermogen. We zijn sterk afhankelijk van de maatregelen die de overheid neemt, van de boeren, die eigen belangen wegen tegen de gezondheid van henzelf en hun medeburgers en van artsen die nog veel te weinig van de ziekte weten, maar wel initiatieven nemen om hun kennis en expertise in hoog tempo te bundelen en op te vijzelen.

Bij de artsen wil ik vandaag een paar minuten stilstaan. Want in het Jeroen Bosch Ziekenhuis in 's-Hertogenbosch is sinds augustus een polikliniekvoor Q-koortspatiënten ingericht, omdat er grote zorg bestaat over de bestaande kennis, nu de ziekte zich zo ontwikkelt. Zo'n kliniek is belangrijk voor patiënten en artsen.

Eén loket
Voor patiënten, omdat  – zwart-wit gezegd – het verbeteren van de gezondheid van de patiënt vooropstaat en niet langer de behandeling van afzonderlijke organen door specialisten. Alle informatie over de betreffende patiënt komt voorhanden. In feite ontstaat er één loket. Niet steeds aparte afspraken met de cardioloog, de internist, de kno-arts, de neuroloog, de longarts en andere specialisten, om van huisarts, bedrijfsarts, psycholoog en fysiotherapeut nog maar niet te spreken.

Samen met de vele ziekenhuisbezoeken,  bloedafnames, onderzoeken, echo's en de duurtesten is dat bijna een dagtaak, zo is me de afgelopen maanden gebleken. Zeker als je nauwelijks op je benen kunt staan. De gezamenlijke benadering en afstemming door artsen zal meerwaarde opleveren: de patiënt en de aanpak van de ziekte komt echt centraal te staan.

Ook voor de artsen is een dergelijke kliniek een stap vooruit. Er ontstaat een bundeling van kennis en expertise. Om daarmee niet alleen de ziekte te bestrijden, maar ook de zieke te behandelen. Een vast team van specialisten is uitgangspunt. Met de bedoeling om kennis over de bijverschijnselen te vergroten en meer te weten te komen over de nasleep van de ziekte.

Complicaties
Want de bacterie, de coxiella burnetti, kan heel lang overleven en is niet in alle gevallen op te sporen. Zelfs na een jaar kunnen nog complicaties optreden. Tevens is lastig vast te stellen of iemand chronisch ziek is en blijft, met alle gevolgen van dien.

Nu er nog zo weinig bekend is en er geen duidelijke oplossingen zijn, is het delen en bundelen van kennis en ervaring in ieder geval een verbetering. Deze multidisciplinaire benadering wordt ook bij andere aandoeningen toegepast en blijkt succesvol te zijn. Psychologen, arbeidskundigen en fysiotherapeuten zouden ook goed in deze aanpak passen, maar worden daar voorlopig nog niet bij betrokken. De polikliniek kan op deze wijze een kenniscentrum worden en als vraagbaak gaan dienen voor anderen in het land.  Diepgaand onderzoek
Dit goede initiatief vanuit de medische wereld kan alleen maar gedijen en resultaat hebben, als de rijksoverheid het belang van de gezondheid van burgers op de eerste plaats zet en tot uitgangspunt maakt.

Verder is diepgaand en onafhankelijk onderzoek nodig. Zeker nu duizenden mensen geïnfecteerd zijn, tientallen arbeidsongeschikt en zeker zes mensen zijn overleden. En in 2010 een verdere uitbraak van de epidemie dreigend boven ons hoofd hangt.

Dit is het derde deel in een serie columns van Bert Brunninkhuis. Morgen volgt het vierde deel.

Deel deze pagina

Video en Audio

Meer video en audio