Door Marijn Dorrestijn
Het heeft even geduurd voordat de opvolger van de Oost-Duitse communistische partij haar draai in het nieuwe Duitsland heeft gevonden. Na vijf naamsveranderingen doet de partij dit jaar als Die Linke mee aan de Bondsdagverkiezingen. In het oosten is de partij nog altijd groot, in het westen moet partijleider en wessi Oskar Lafontaine de socialisten op de kaart zetten.
Die Linke doet haar naam in ieder geval eer aan. De partij is tegen het verhogen van de pensioenleeftijd, tegen de omstreden bijstanduitkering Hartz-4 en voor het invoeren van een minimumloon.
Die Linke heeft met die thema's veel kiezers van de sociaaldemocratische SPD losgeweekt en is niet zuinig met kritiek op het sociale beleid van die partij. Rood wordt zwaar bevochten.
Militaire missie
Die Linke is als enige Bondsdagpartij tegen de militaire missie in Afghanistan en tegen het Verdrag van Lissabon, opvallend in het anders Europagezinde Duitsland. Andere partijen weigeren daarom om op landelijk niveau met Die Linke in zee te gaan. Vooral de SPD heeft het moeilijk: Linke-voorman (en voormalig SPD-leider) Lafontaine werkt op teleurgestelde SPD-kiezers als brood op eenden, maar voor een links verbond zijn de verschillen te groot.
Lafontaine deelt het lijsttrekkerschap met partij-nestor Gregor Gysi. Hij was al actief bij de communistische SED, waar Die Linke uit voortkomt. Het duo heeft ingezet op minstens tien procent. Een ambitieus streven, temeer omdat de partij er niet in slaagt om van de economische crisis te profiteren. Sinds november 2008 is de partij in peilingen gezakt van veertien naar negen procent.
Of Die Linke haar doel haalt, hangt vooral af van de West-Duitse kiezers. In het vroegere Oost-Duitsland krijgt de partij volgens peilingen een kwart van de stemmen, maar in het westen moet ze vechten voor vijf procent. Lafontaines droom om zijn oude partij te verslaan, komt bij deze verkiezingen in ieder geval niet uit.

»
»
»