Mgr. Eijk is de zeventigste opvolger van de heilige Willibrord (circa 658-739), die het christendom in Nederland bracht. Sinds 1853, toen de Nederlandse regering het Vaticaan toestond weer bisschoppen in Nederland te benoemen, had de kerkprovincie negen aardsbisschoppen. Hieronder een overzicht.
Adrianus kardinaal Simonis 1983-2007
De benoeming tot bisschop van kapelaan Simonis, die mede door zijn optreden op het Pastoraal Concilie als behoudend gold, was in Nederland van meet af aan omstreden. Vanaf het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie van de Nederlandse Katholieke Kerk in 1853 hadden de kapittels van de Nederlandse bisdommen van Rome het voorrecht gekregen om een voordracht van drie namen te doen aan de paus. Door echter Simonis te benoemen werd deze voordracht geheel genegeerd. De benoeming was ook tegen de zin van de Nederlandse bisschoppen. Dit had alles te maken met de eigen weg die de Katholieke Kerk in Nederland in de jaren zestig was ingeslagen onder leiding van de toenmalige kardinaal Alfrink. De veranderingen hadden onder meer te maken met inspraak voor de gelovigen en geboortebeperking. Nadat paus Johannes XXIII in 1963 overleed en werd opgevolgd door paus Paulus VI voelde het Vaticaan de behoefte het gematigd progressieve Nederlands bisschoppelijk college, dat allerlei radicale veranderingen had toegelaten en bepleit, op de vingers te tikken. En al waren er in die roerige tijden meer opstandige kerkprovincies in Europa, de Nederlandse was slagvaardig vanwege de eensgezindheid van het Bisschoppelijk College. Die eensgezindheid werd met de benoeming van Simonis door Rome gebroken.
Na het overlijden van paus Johannes Paulus II in 2005 vertrok hij naar Rome om te concelebreren bij diens uitvaart. In het conclaaf daarna was hij de enige Nederlander, die stemgerechtigd was bij de keuze van kardinaal Joseph Ratzinger tot paus Benedictus XVI.
Johannes kardinaal Willebrands 1975-1983
Op 6 december 1975 werd Willebrands benoemd tot aartsbisschop van het aartsbisdom Utrecht; hierdoor werd hij tevens metropoliet van de Nederlandse kerkprovincie. Zijn benoeming kwam in de woelige periode in de nasleep van het Landelijk Pastoraal Concilie te Noordwijkerhout in de jaren 1968 - 1969, dat gekenmerkt was door experimenten binnen de Nederlandse Kerkprovincie waarmee het Vaticaan niet kon instemmen. De benoemingen van de bisschoppen Simonis (1970) en Gijsen (1972) worden door sommigen geïnterpreteerd als een antwoord van Rome op deze experimenten. De duidelijke stellingname van deze en andere bisschoppen heeft daarna geleid tot een situatie die men de polarisatie binnen Nederlandse Kerk is gaan noemen en die een hoogtepunt bereikt heeft bij het bezoek van Paus Johannes Paulus II aan Nederland in 1985. Deze polarisatie had echter al voor de benoeming van Willebrands een aanvang genomen.
De Bijzondere Synode van de Nederlandse bisschoppen die plaatsvond in Rome van 14 tot 31 januari 1980, is één van de belangrijke momenten uit zijn ambtsperiode geweest. Al een half jaar na zijn ambtsaanvaarding in oktober 1978 had Paus Johannes Paulus II aangekondigd een 'bijzondere synode' te willen houden met de Nederlandse bisschoppen om "samen met de bisschoppen de voornaamste theologische en pastorale vraagstukken van de Nederlandse Kerkprovincie te behandelen". Kardinaal Willebrands gaf de kernvraag van deze synode aldus weer: in Nederland zijn veel vernieuwingen doorgevoerd, "en nu vragen wij ons af wat er is gelukt en wat niet".
De curiekardinaal Willebrands werd geacht een eind te maken aan het eigen "Nederlandse geluid" van sommige gelovigen. Hij trad hierbij op met tact, geduld en begrip voor de diversiteit van standpunten. De gelijkschakeling van Nederland met de Wereldkerk verliep daardoor voor Rome te traag, en Willebrands' positie werd onhoudbaar.
Op 3 december 1983 werd zijn ontslag uit de zetel van Utrecht geëffectueerd en werd Adrianus Simonis zijn opvolger.
Willebrands concentreerde zich weer op de oecumene, totdat kardinaal Cassidy hem op 12 december 1989 opvolgde in zijn functie van prefect van het Secretariaat voor de Eenheid.
Bernardus kardinaal Alfrink 1955-1975
Alfrink was aartsbisschop van het aartsbisdom Utrecht in een zeer onrustige tijd. Er was een crisis in de Kerk, in het geloof en in de relatie met het Vaticaan. Het katholieke volksdeel werd steeds kleiner. Alfrink stond in het buitenland bekend als een progressistische aartsbisschop die er neomodernistische denkbeelden op na zou houden. Deze indruk lijkt echter minder juist. Alfrink was een traditioneel ingestelde katholiek, die in zijn privémissen - naar verluidt - vasthield aan de Tridentijnse ritus van zijn priesterwijding. Afschaffing van het celibaat hoefde van hem niet zo nodig. Echter: Alfrink wenste een open oog en oor te houden voor de noden van zijn geloofsgemeenschap en pleitte voor die hervormingen die nodig waren voor het welzijn van zijn kudde. Ingrijpen tegen in zijn ogen al te progressief optredende gelovigen deed hij niet vaak, maar wel toen pastores van de Utrechtse studentenparochie celebreerden in een oecumenische tafelviering.
De aanvaarding van het 'ambtsrapport' in januari 1970 tijdens de vijfde zitting van het in 1968 begonnen Concilie van Noordwijkerhout betekende voor Alfrink persoonlijk en voor de kerkprovincie echter een keerpunt. De Nederlandse kerkprovincie dolf het onderspit tegen Rome en kardinaal Alfrink verloor er zijn al fors verminderde krediet. De tweedracht binnen de kerkprovincie nam zeer toe, mede door benoemingen van enkele Rome-getrouwe bisschoppen. Kort voor Alfrinks emeritaat stond minister-president Den Uyl erop dat hijzelf de kardinaal de versierselen van Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw zou uitreiken.
Alfrink heeft erg onder de polarisatie geleden en trachtte meerdere vleugels te verzoenen, maar effectieve verzoening bleef uit.
Johannes kardinaal De Jong 1936-1955
Johannes (Jan) de Jong (Nes (Ameland), 10 september 1885 - Amersfoort, 8 september 1955) was een Nederlandse aartsbisschop, kardinaal en metropoliet.
Hij ontving zijn priesteropleiding aan de seminaries van Culemborg en Rijsenburg. Hij werd in 1908 tot priester gewijd en studeerde daarna te Rome waar hij promoveerde in de wijsbegeerte (1910) en in de godgeleerdheid (1911).
Van 1911 tot 1914 was eerst kapelaan te Amersfoort en daarna conrector van de Zusters van O.L. Vrouw in die plaats. In 1914 werd hij hoogleraar kerkgeschiedenis aan het seminarie Rijsenburg. In 1935 werd hij coadjutor van de aartsbisschop van het aartsbisdom Utrecht, mgr. Joannes Jansen. In 1936 werd hij benoemd tot aartsbisschop van het aartsbisdom Utrecht waarmee hij eveneens metropoliet werd van de Nederlandse kerkprovincie. Na de oorlog werd hij in februari 1946 door paus Pius XII tot kardinaal benoemd. Koningin Wilhelmina benoemde hem tot Ridder Grootkruis in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
In de periode dat De Jong hoogleraar was kwam zijn standaardwerk Handboek der Kerkgeschiedenis tot stand. Het werd een verplicht studieboek op de priesteropleidingen in Nederland en in het Nederlandse taalgebied in België. Gedurende de Tweede Wereldoorlog gaf hij samen met dominee K. Gravemeijer, leiding aan het kerkelijk verzet tegen de Duitse bezetter. In 1951 moest hij vanwege zijn zwakke gezondheid zich terugtrekken uit het bestuur van het aartsbisdom. Tot zijn coadjutor werd Bernardus Alfrink benoemd. De Jong trok zich terug in Amersfoort waar hij in 1955 overleed. Alfrink volgde hem op als aartsbisschop.
Joannes Jansen 1930-1936
Joannes Henricus Gerardus Jansen (Leeuwarden, 9 mei 1868 - Utrecht, 17 mei 1936) was aartsbisschop van het aartsbisdom Utrecht van 1930 tot 1936. Hij nam kort voor zijn overlijden ontslag als aartsbisschop.
Jansen studeerde aan het kleinseminarie in Culemborg en aan het grootseminarie van Rijsenburg bij Driebergen en werd tot priester gewijd in 1893. Janssen was kapelaan in Sneek (1894) en Arnhem (1898) en werd hoogleraar in Rijsenburg in 1900. Jansen werd pastoor in 1908 in 't Goy bij Houten, een functie die hij combineerde met die van onderwijsinspecteur. In 1914 werd hij pastoor in Harlingen en in 1918 in Utrecht, waar hij ook deken werd in 1929.
Henricus van de Wetering 1895-1929
Bijna 35 jaar heeft Van de Wetering het bisdom bestuurd als een energiek werker, een nauwkeurig administrateur en een degelijk financier. Gedurende zijn episcopaat werden door hem in het Utrechtse bisdom 137 kerken en kapellen geconsacreerd en 63 nieuwe parochies opgericht. In 1906 ging volgens zijn wens het klein-seminarie Kuilenburg over van de jezuïeten naar de seculieren, een verandering die als wezenlijk werd beschouwd voor de opleiding van Utrechtse priesters. Als voorzitter van de bisschoppenconferenties zette hij ook een zeker stempel op de kerkprovincie. De brede ontplooiing van het katholieke organisatie- en verenigingsleven kwam onder zijn bestuur tot stand. Speciaal het onderwijs had zijn belangstelling. Sedert 1905 was hij voorzitter van de St. Radboudstichting, in het streven waarvan hij de bekroning zag van de katholieke emancipatie. In de stad Utrecht beheerde hij jarenlang persoonlijk het St. Antoniusziekenhuis; in 1899 had hij de bisschoppelijke residentie van de Nieuwegracht verplaatst naar Maliebaan 40. Zijn actieve belangstelling gold ook het Aartsbisschoppelijk Museum. Onder zijn bestuur werd deze verzameling ondergebracht in het Utrechtse Centraal Museum.
De persoonlijke vroomheid van de bisschop was elementair en degelijk. Hij toonde zich openlijk afkerig van wonder- en verschijningsverhalen, en tegenover nieuwe devoties stond hij uitgesproken koel. In zijn beleid stond de gewone zielzorg van alledag voorop: catechismus en huisbezoek. Daarnaast dienden de financiën van elke parochie gezond te zijn. Wetenschappelijke ambities had hij niet, en een Utrechtse priester die hem zijn proefschrift kwam aanbieden kreeg te horen: 'Dat is dus liefdewerk - oud papier.' Zijn eigen theologische inventaris reikte niet verder dan de inhoud van de grote catechismus, en de vermaningen in zijn herderlijke brieven bestreken veelal het toen zeer ruime gebied van het zesde en negende gebod. Zo wees hij in zijn laatste vastenbrief van 1929 op het gevaar van te lange verkeringen en meende hij dat ook onder katholieken 'de wufte, lichtzinnige geest van zinnelijkheid en genotzucht' steeds meer veld won. Dit zou volgens hem ook blijken uit 'de onvoegzame, soms schaamtelooze kleeding der vrouwen' en uit 'de danswoede, welke het opkomend geslacht heeft aangegrepen' (Analecta... aartsbisdom Utrecht 2 (1929) 20).
Zijn optreden was vaak bruusk, zij het niet zonder humor en altijd met de bereidheid gemaakte fouten ridderlijk toe te geven. In bestuurlijk opzicht was hij bepaald autocratisch en solistisch, zoals bijvoorbeeld in 1914 bleek toen hij op persoonlijke titel aan het fel-agressieve geschrijf van het integralistische blad Rome een einde maakte. Ook in de zielzorg duldde hij nauwelijks initiatieven. De diocesane clerus was zich hiervan terdege bewust. Zijn gereserveerdheid tegenover de sociale beweging had tot gevolg dat de Utrechtse priester Alfons Ariëns, pionier van de katholieke arbeidersbeweging, de gang naar de Maliebaan steeds met loden schoenen maakte. Het onbegrip tussen de beide heren vond zijn oorzaak mede in de onverenigbaarheid van hun karakters: de ruige en ongepolijste Van de Wetering vond de nerveuze en fijnbesnaarde Ariëns 'overdreven' en wees, wanneer het over hem ging, nogal eens op het voorhoofd. In latere jaren heeft Van de Wetering het werk van Ariëns openlijk geprezen en zijn persoon meer gewaardeerd. Bij het gouden priesterjubileum van de aartsbisschop voerde Ariëns het woord, waarna de jubilaris verklaarde trots te zijn op zijn goede priesters en hierbij op Ariëns wees die op zulk een bewogen wijze de problemen van de arbeiders had gesignaleerd.
Petrus Snickers 1882-1895
Snickers werd op 2 september 1877 in de kathedraal van Haarlem door de Utrechtse aartsbisschop Andreas Ignatius Schaepman tot bisschop van Haarlem gewijd. Het gerucht gaat dat hij vervolgens als aartsbisschop naar Utrecht werd gehaald vanwege zijn grote geldelijke vermogen. Over zijn activiteiten als aartsbisschop is weinig bekend. Hij trad zelf niet actief op in de sociale en politieke bewegingen maar verleende daar wel zijn morele steun aan.
Andreas Schaepman 1868-1882
Als aartsbisschop ijverde Schaepman voor de emancipatie van het katholicisme in Nederland. Hij steunde de stichting van katholieke scholen en richtte congregaties op als de Fraters van Utrecht en de Zusters van Sint-Joseph die zich op het katholieke onderwijs toelegden.
Schaepman bevorderde de kerkelijke kunst en geschiedschrijving. Al voor zijn benoeming tot aartsbisschop organiseerde hij de restauratie van de Sint-Catharinakathedraal in Utrecht in neo-gotische stijl, in samenwerking met G.W. van Heukelom, de stichter van het St. Bernulphusgilde. Schaepman en Van Heukelom stonden ook aan de basis van wat tegenwoordig het Museum Catharijneconvent is.
Joannes Zwijsen (1853-1868)
Bij het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 werd Zwijzen benoemd aartsbisschop van Utrecht, maar ook tot bisschop van 's-Hertogenbosch. Het was zijn taak om de 'aartspriesterschappen' in het noorden van Nederland om te vormen tot volwaardige bisdommen.
In 1865 belegde hij het Provinciaal Concilie van de Nederlandse bisschoppen in 's-Hertogenbosch. Hij stond ook mede aan de basis van het Bisschoppelijk mandement over het katholiek onderwijs van 1868. Datzelfde jaar trad hij af, hoewel hij veel invloed bleef uitoefenen op het bestuur van de kerk in Nederland. Hij bleef bisschop van 's-Hertogenbosch tot aan zijn overlijden in 1877.
Hij reisde drie maal naar Rome, onder meer in 1854 naar aanleiding van de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. In 1869 nam hij deel aan het Eerste Vaticaans Concilie, waarin onder meer het dogma werd afgekondigd van de onfeilbaarheid van de paus.
In 1863 overleefde Zwijsen een moordaanslag terwijl hij in bed lag met een vuurwapen. De dader werd nooit gevonden.

»
»