Tien jaar na de val van Srebrenica en het vredesakkoord van Dayton is de situatie in Bosnië-Herzegovina nog altijd verre van ideaal. Er is veel armoede, werkloosheid en woningnood.
De federatie van Bosnië en Herzegovina ontstond op 5 april 1992 na het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië. Bosnië-Herzegovina, met als hoofdstad Sajarevo, ligt tussen Kroatië en Servië en Montenegro en telt ongeveer 4,2 miljoen inwoners.
Verdeeld
Sinds het verdrag van Dayton in 1995 een einde maakte aan de oorlog, is het land opgedeeld in twee etnische deelrepublieken: de Servische Republiek Srpska en de Federatie van Bosnië en Herzegovina waarin Kroaten en moslims samenleven. De haat die tijdens de burgeroorlog in de jaren negentig leidde tot een kwart miljoen doden is nog aanwezig, maar er heerst een gewapende vrede tussen de twee deelrepublieken. De Europese vredesmacht Eufor moet ervoor zorgen dat de blijvende haat niet opnieuw uitmondt in een conflict.
Het land staat onder toezicht van Lord Paddy Ashdown, de Hoge Vertegenwoordiger van de internationale gemeenschap. Die kan gekozen ambtsdragers ontslaan, bijvoorbeeld als zij samenwerking met het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag dwarsbomen.
De twee deelrepublieken hebben ieder een eigen leger. Republiek Srpska heeft inmiddels wel ingestemd met de oprichting van een nationaal ministerie van Defensie voor heel Bosnië. In een gezamenlijk ministerie van Binnenlandse zaken ziet Banja Luka, de hoofdstad van Republiek Srpska, echter niets, omdat het bang is dat het daarmee te veel aan autonomie inboet. De Serviërs waren de oorlog in 1992 juist begonnen vanwege de angst voor overheersing van de moslims, de grootste bevolkingsgroep in Bosnië.
Vluchtelingenstroom
Dat het economisch slecht gesteld is met Bosnië-Herzegovina komt onder meer door de enorme vluchtelingentrek tijdens de oorlog van het platteland naar de steden. Voor de oorlog woonde 62 procent van de bevolking van Bosnië-Herzegovina in steden met meer dan 50.000 inwoners; 38 procent leefde in dorpen. Na de oorlog was het aantal inwoners in sommige steden verdubbeld. De steden konden die vluchtelingenstroom niet aan.
Als gevolg daarvan zit veertig procent van de beroepsbevolking momenteel zonder werk. Voor veel jongeren, onder wie voornamelijk hoger opgeleiden, zijn de economische vooruitzichten slecht. Dat velen van hen willen emigreren, is dan ook niet zo vreemd.
Nog steeds woont een deel van de vluchtelingen in huizen die niet van hen zijn - waardoor zij het risico lopen dakloos te worden - of in opvangcentra, waar de omstandigheden niet al te goed zijn.
De oorlog leidde er ook toe dat veel mensen naar het buitenland vluchtten. Alleen in Nederland al werden 30.000 mensen opgevangen. De terugkeer van de vluchtelingen verliep aanvankelijk zeer traag. Sinds 1998 gaat het beter.
Onderwijs
Het onderwijs en de gezondheidszorg hebben erg geleden onder de oorlog. Vóór de oorlog was de kwaliteit van het onderwijs goed, wat resulteerde in een goed opgeleide beroepsbevolking. Tijdens de oorlog verlieten veel leraren het land. Daarnaast raakten schoolgebouwen beschadigd en ging lesmateriaal verloren.
Ook het niveau van de gezondheidszorg was redelijk hoog in Bosnië-Herzegovina. Nu is het aantal ziekenhuisbedden drastisch afgenomen. Veel medische apparatuur is verouderd of tijdens de oorlog verloren gegaan. Ook is er een groot tekort aan medici en specialisten.
Op economisch gebied blijft Bosnië-Herzegovina voorlopig afhankelijk van buitenlandse hulp. Zo ook van Nederland, dat een aantal activiteiten in het land met donorgelden financiert.

»
»
»