Hieronder de toespraak van schrijfster Yasmine Allas in Hotel Arena
Ik ben een mens.
Het mens zijn is meteen de overeenkomst tussen u en mij. Die mens is veel, wil veel en kan veel.
Zo ook Theo van Gogh. Hij was veel, hij wilde veel en hij kon veel. Dat manifesteerde hij, luidkeels meestal. Velen onder ons hadden het genoegen om daar vele jaren getuige van te zijn. Nu, een jaar na de moord op Theo, een jaar na de indrukwekkend lawaaierige herdenking op de Dam is het niet stil geworden rondom Theo.
Dankzij ons, Amsterdammers die niet ophielden te praten, te schreeuwen, oneens als we het met elkaar waren over grenzen van individuele vrijheid en over de vrijheid van meningsuiting. Vrijheid en vrijheid van meningsuiting, dat was en is ook de drijfveer in mijn leven. En daarom heb ik na lang aarzelen ja gezegd toen ik gevraagd werd om vanavond hier te staan.
Zoals bij velen onder ons heeft 2 november 2004 ook in mijn voortkabbelend leven een enorme schok teweeggebracht. Ik ging op zoek naar antwoorden en zo struinde ik langs moskeeën en buurthuizen. Rusteloos door een verlammend gevoel van onbehagen hing ik rond bij speelpleinen om te zien wat daar gebeurde.
Op straat sprak ik moslimjongens aan, nieuwsgierig als ik was naar hun drijfveren. Maar niemand had een antwoord op mijn vragen, niemand durfde zijn mond open te doen. Wantrouwend keken de jongens me aan en ze zeiden: "Wij zijn het zat dat ze voortdurend onze woorden verdraaien. Wij krijgen altijd de zwarte piet toegespeeld en hebben geen zin om met jou te praten." Ze trokken hun capuchons diep over hun ogen, haalden laconiek hun schouders op en liepen weg.
En terwijl ik daar op straat tussen twee bomen stond dwaalden mijn gedachten steeds af naar vroeger. Toen ik nog geen flauw idee had wat Nederland was en waar het lag.
's Avonds als onze familie elkaar verhaaltjes vertelde en thee dronk ging ik als twaalfjarig meisje op het dakterras van ons huis in Somalië liggen. Met mijn rug tegen de betonnen vloer gedrukt staarde ik naar de sterren en droomde over een leven waarin ik in alle vrijheid kon staan en gaan waar ik wilde, een leven waar ik zonder angst of met welke consequentie dan ook een eigen mening mocht hebben, en een leven waar mijn bestaan als meisje zin had.
Vele jaren later, toen ik eenmaal in Nederland woonde realiseerde ik me dat mijn droom was uitgekomen. In het begin verwonderde ik me erover hoe men het in dit kleine land voor elkaar kreeg om met zoveel geloven, kleuren en meningen vreedzaam met elkaar te leven. Ik wilde er, in deze oase van verdraagzaamheid en vrijheid, graag bij horen.
Ik wilde snel de taal leren en mijn toekomst opbouwen in het land dat mijn hart had veroverd. Pas toen begon mijn leven. Ik genoot van de vrijheid die ik als vrouw kreeg, maakte vrienden en leerde de taal kennen. Al gauw vergat ik hoe het was om voor je leven te vrezen, hoe het was om altijd te moeten fluisteren omdat je niet durfde je mening te uiten, ik vergat al die schaamte en de beperkingen die ik als moslimvrouw opgelegd had gekregen.
Bovendien hoefde ik mijzelf nooit de vragen te stellen wie ben ik eigenlijk, waar hoor ik thuis, welke kleur heb ik en wat is mijn geloof. Dat was juist waarom ik zo van dit land ben gaan houden en zeker van Amsterdam. Deze stad heeft mij geleerd dat zulke vragen er niet toe deden. In Amsterdam voelde ik me meteen thuis.
Maar, toen mijn moeder en mijn broers, gevlucht voor de burgeroorlog in de jaren negentig, ook hier terecht kwamen leerde ik een ander gezicht van Nederland kennen. Het was een verwrongen gezicht waarvan men niet wilde weten dat het er was.
Ik ontmoette mensen die al jaren hier woonden maar die er werkelijk geen idee van hadden wat Nederland was, mensen die alleen door hun cultuur en geloofsgenoten waren omringd, kinderen die hier in dit land waren geboren en getogen maar die nog nooit met Nederlandse kinderen in aanraking waren geweest. Deze mensen voelden hun aanwezigheid in Nederland ontkend en maakten nauwelijks deel uit van onze samenleving.
Door mijn jongere broers leerde ik kennen hoe groot en gevaarlijk het uitzichtloze leven was dat veel moslimjongens leidden. Ze voelden zich onbegrepen. Ik proefde de teleurstelling in hun verhalen dat zij, hoezeer ze ook hun best deden, nooit als volwaardige burgers gezien zouden worden, hoe zij, ook al waren ze hier geboren en getogennooit gelijke kansen zouden krijgen. "Ook al ben je hier geboren en je beschouwt dit land als de jouwe, je zult er nooit echt bij horen, je bent altijd die ander,' zei een jongen van vijftien een keer tegen mij.
Toen vielen mij de schellen van de ogen. Ik zag hoe verdeeld onze samenleving was. Tot mijn verbazing ontmoette ik mensen die gekozen hadden voor dit land maar waar zij tegelijkertijd met minachting over spraken. Ik ontmoette ouders die het vertekende, door henzelf gecreëerde beeld, dat ze van onze samenleving hadden overbrachten op hun kinderen. Maar ik zag ook dat veel Nederlanders onverschillig voor zich uit staarden en weinig belangstelling voor de ander toonden.
Ik zag hoe de bovenlaag van de bevolking en de overheid jarenlang het hoofd hadden afgewend om niet te zien wat er onder hen gebeurde. Ik zag hoe in dit niemandsland een groep geloofsextremisten de ruimte en de kans kreeg zich te verenigen. Deze geloofsextremisten hadden vrij spel gekregen en ze konden doen en laten wat ze`maar wilden. Zo kweekten zij in stilte een onzichtbare samenleving binnen de samenleving.
Ze zaaiden haat en boezemden angst in. Het gif dat deze mensen verspreidden raakte mij persoonlijk, omdat mijn lieve moeder die veiligheid had gezocht in dit land in handen van deze mensen viel. Verlamd door de angst die deze mensen predikten verloor zij elke lust tot het opbouwen van een toekomst. Ze keurde mijn manier van leven af bang als ze was dat ik later in het hiernamaals in de hel tot as zou branden.
Zo dreven geloofsextremisten een wig tussen mijn moeder en mij. Maar wat mij het meeste raakte was dat ik mijn bezorgdheid niet met mijn Nederlandse vrienden kon delen. Achteloos haalden zij hun schouders op en zeiden,' Zolang er niets gebeurt, is er niets aan de hand. Wij zijn het meest tolerante land ter wereld. Iedereen heeft het goed in dit land.
Bovendien, wij laten mensen in dit land hun gang gaan zolang ze maar niet proberen om in onze straat te komen wonen. En zo kwam ik tot de ontdekking dat de verdraagzaamheid en de vreedzame samenleving die ik koesterde achteraf gezien niets anders was dan schone schijn.
Toen kwam twee november 2004. De gruwelijke, barbaarse, afzichtelijke moord op Theo van Gogh opende opnieuw de etterende wond in onze samenleving die elf september 2001 al had blootgelegd. De verschillen werden zichtbaarder dan ooit. De onmacht om echt met elkaar in gesprek te gaan breidde zich uit. Het gevoel van onkwetsbaarheid dat veel mensen hadden bleek een illusie te zijn.
Het gebrek aan mentale weerbaarheid maakte velen bitter en neerslachtig. De ontevredenheid die men voorheen had onderdrukt kwam aan de oppervlakte. Voor het eerst voelde ik me als moslim aangesproken. Ik maakte mee hoe mijn familie en velen met hen niet wilden en niet konden aarden in dit land. Hoe zij zich ongewenst voelden en het besluit namen om te vertrekken. De vanzelfsprekendheid waarmee ik mijn leven had geleid en waarin geloof, kleur en afkomst er niet toe deden, deed geen opgang meer.
De roep van de maatschappij om kleur te bekennen werd steeds luider en duidelijker. Je was Nederlander of juist niet, je was een Nederlandse geëmancipeerde of een onderdrukte moslimvrouw, je was gelovig met al haar extremisme of juist een verlichte liberaal, je sprak vloeiend de Nederlandse taal, of je behoorde tot de groep die bewust de taal weigerde te leren, je was autochtoon of allochtoon, je accepteerde de grondwet, of je was er tegen omdat je de Nederlandse samenleving minachtte.
Ik begreep er niets meer van. Alsof ik een kind was dat verplicht tussen haar moeder en haar vader moest kiezen. Hoe kun je in godsnaam kiezen als je van beiden houdt? Hoe kan ik tussen mijn geboorteland en mijn nieuwe land waar mijn toekomst ligt kiezen? De druk was enorm.
En ik werd overmand door een gevoel van onveiligheid dat ik allang dacht vergeten te zijn. Als je uit een oorlogsland komt dan weet je wat haat en onverdraagzaamheid in een samenleving teweeg kunnen brengen. Als ervaringsdeskundige ruik je de veenbrand nu eenmaal eerder. Ik zou niet durven beweren dat in Nederland een burgeroorlog zou kunnen uitbreken, zoals hier en daar werd opgemerkt in de dagen na de moord, maar toch zag ik de vlag niet in de goede richting wapperen.
Veel liberale moslims hulden zich in stilzwijgen terwijl het juist ook toen weer de extremisten waren die luidkeels schreeuwden, hun messen slepen en de pin uit de granaten trokken. Veel Nederlanders schoven hun gevoel van tolerantie opzij en openden eindelijk hun mond. Opgekropte, vaak negatieve, emotie kreeg de vrije hand. De eerste weken na twee november 2004 heb ik ervaren als een van de akeligste periodes van mijn leven in Nederland.
Voor het eerst durfde ik niet te zeggen dat ik islamiet was, en als ik bij mijn land- en geloofsgenoten was durfde ik niet te zeggen dat ik van dit land hield, dat mijn toekomst hier lag. Vragen die er voorheen niet toe deden werden vanaf dat moment onvermijdelijk. Wie ben ik? Bij wie hoor ik thuis? Wat is mijn kleur? Hoe zit dat met mijn geloof? Toen kwam het keerpunt. 'Genoeg is genoeg', dacht ik toen.
Ja, ik ben een Somalische vrouw, maar ook een Nederlandse vrouw. Ik ben een zwarte liberale moslimvrouw. Maar bovenal ben ik een Amsterdammer. En dat alles maakt mij degene die ik nu ben. En daar ben ik trots op. Dat Theo in vrede moge rusten.

»
»
»