Met het nieuwe zorgstelsel verdwijnt het onderscheid tussen ziekenfonds en particulier. Daarmee worden de ziekenfondsen in feite afgeschaft. Een korte geschiedenis van een oude instelling.
Eendracht Maakt Macht, Hulp bij Ziekte, De Stedelijke: met zulke gezonde Hollandse namen begonnen de eerste ziekenfondsen in de achttiende en negentiende eeuw. Ze boden soelaas voor de nooddruftige arbeidersklasse die door de industrialisatie was ontstaan.
Anders dan vaak wordt aangenomen, ontstonden de eerste fondsen niet uit de vakbeweging. Het eerste initiatief kwam uit de hoek van de commerciële verzekeraars, dezelfde sector die nu ook weer het heft in handen neemt. En al in 1780, vertelt Karel Peter Companje, docent aan de Vrije Universiteit Medisch Centrum te Amsterdam en historicus van het ziekenfondswezen, veel vroeger dan meestal wordt gedacht.
Met deze fondsen richtten verzekeringsmaatschappijen en particulieren zich op de "minvermogenden", mensen die onder de belastinggrens vielen en die bij ziekte een beroep moesten doen op stedelijke of kerkelijke armenfondsen.
Inkomensgrens
De medische stand was niet altijd gelukkig met het beleid van de verzekeraars. Artsen en apothekers richtten daarom in 1846 het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam op, dat zorgde voor een vrije artsenkeuze en een inkomensgrens om voor de artsen het ziekenfonds van de particuliere praktijk te scheiden.
De inkomensgrens, die een hoofdrol speelt in het ziekenfondswezen, is dus al 160 jaar oud.
Rond 1870 volgden de arbeidersfondsen, opgericht door en bestemd voor arbeiders. In de jaren erna nam een groot aantal andere partijen ziekenfondsinitiatieven: vooruitstrevende werkgevers, doktoren en bijvoorbeeld de katholieke kerk.
Risicoselectie
Het systeem kende kwalen die menig zieke lelijk opbraken. Ten eerste mocht niet iedereen lid worden. Ernstig zieken bijvoorbeeld zouden de maatschappijen te veel kosten, waardoor zij werden geweerd.
Brigitte Widdershoven, onlangs gepromoveerd op de beginjaren van de Nederlandse ziekenfondsen, vergelijkt het selectiegedrag van de eerste fondsen met dat van de particuliere verzekeraars in de moderne tijd. De onderlinge ziekenfondsen waren dan wel gebaseerd op solidariteit, in hun risicoselectie gedroegen ze zich meer als hypermoderne marktpartijen.
Verder ontstonden er misstanden doordat artsen die bij het ene fonds waren aangesloten patiënten van een ander fonds weigerden. In Dordrecht bijvoorbeeld hadden een paar belangrijke fondsen geen enkele arts in dienst waardoor hun leden jarenlang moesten uitwijken naar Rotterdam.
Veel doktoren wilden zich liever niet aansluiten bij de onderlinge ziekenfondsen, de maatschappijen door en voor arbeiders. Veel liever verbond de medische stand zich met de zogeheten maatschappijfondsen, opgezet en bestuurd door artsen en apothekers.
De ziekelijke concurrentie tussen beide fondsen was er mede debet aan dat achtereenvolgende Nederlandse regeringen er in de eerste helft van de twintigste eeuw niet in slaagden een Ziekenfondswet tot stand te brengen. Een wetsvoorstel van ARP-voorman Abraham Kuyper uit 1903 om het ziekenfonds eens en voor altijd goed te regelen strandde bijvoorbeeld.
Krankenkassen
Maar in 1941 verhielp een harde heelmeester de gebreken van de Nederlandse ziekenzorg.
De Duitse bezetter bepaalde dat voortaan iedereen naar de dokter kon. Conform het Ziekenfondsbesluit moesten alle werknemers met een inkomen beneden de landelijk vastgestelde loongrens zich verplicht aansluiten bij een erkend ziekenfonds.
Historicus Companje: "In Duitsland bestonden Krankenkassen, waaraan de werkgevers meebetaalden. Door dit ook in ons land verplicht te stellen, voorkwamen ze oneerlijke concurrentie van Nederlandse bedrijven. Bovendien was dit een manier om als bezettingsmacht een socialer gezicht te laten zien."
Na de oorlog veranderden de ziekenfondsen langzaam van aard. De ziekenfondsboden, die in dikke leren jassen door de wijk reden om de contributie te innen, verdwenen. Hierdoor werd de band tussen de leden en hun ziekenfondsen steeds losser.
En met het verdwijnen van de verzuiling in Nederland, werden de vele kleine fondsen van socialistisch, protestants of katholiek pluimage samengevoegd tot grote conglomeraten met een neutrale uitstraling.
Heikel
In de jaren tachtig en negentig werd de werkwijze van ziekenfondsen steeds meer het onderwerp van discussie. Vooral de open-eind-regeling - als maatschappijen tekorten hadden, werd dat altijd aangepast door Den Haag - was een heikel punt.
In de jaren negentig mochten ziekenfondsen buiten hun eigen regio actief worden en dus met elkaar gaan concurreren. Hiervan is niet veel terecht gekomen. Wel was dit de opmaat voor de huidige stelselwijziging, waarin niets de verzekeraars meer in de weg ligt.

»
»
»