Door Toof Brader, politiek verslaggever van de NOS
Hoe het zaterdag op het D66-congres in Den Haag ook mag aflopen, zelden zal de bijna veertig jaar oude partij dichter bij de verwezenlijking van haar oorspronkelijke idealen zijn geweest dan aan de vooravond van dat congres. De oprichters van D66 beoogden indertijd immers niets meer of minder dan de ontploffing van het Nederlands partijpolitieke bestel. Die ontploffing lijkt met de sinds de opkomst van Pim Fortuyn in 2002 aanhoudende crisissfeer rond het Haagse Binnenhof nog maar een kwestie van tijd. De D66-leden staan zaterdag vooral voor de vraag, of zij de lont zelf zullen aansteken, dan wel zullen wachten tot de ontploffing hen ook zelf overkomt.
Natuurlijk gaat het zaterdag in Den Haag allereerst om het zogeheten Paas-akkoord, dat de fractievoorzitters van CDA, VVD en D66 in nauw overleg met de top van het kabinet-Balkenende sloten. Dat akkoord was nodig, nadat D66-minister De Graaf er eerder niet in was geslaagd een tweederde meerderheid in de Eerste Kamer te vinden voor het schrappen van de benoemde burgermeester uit de Grondwet. Daarmee werd invoering van een door de bevolking gekozen burgermeester in deze kabinetsperiode onmogelijk. Dat was een diepe teleurstelling voor D66, de partij die zich veel eerder en veel vasthoudender dan andere partijen sterk heeft gemaakt voor de introductie van allerlei vormen van directe democratie.
Het paasakkoord is vooral bedoeld om D66 bij de verwerking van die teleurstelling te helpen. Het D66-congres mag nu beoordelen, of die zalf sterk genoeg is om de wond te helen. Als het antwoord ja is, blijft D66 met het CDA en de VVD de drager van premier Balkenende's tweede kabinet. Is het antwoord nee, dan trekt D66 zich uit die coalitie terug en zijn nieuwe verkiezingen bijna niet meer te vermijden.
Te mager
Veel D66-leden vinden het akkoord eigenlijk te mager, zo bleek inmiddels op tal van partijbijeenkomsten die aan de vooravond van het congres zijn georganiseerd. De gekozen burgermeester kan niet meer voor 2006 maar hooguit in een volgend kabinet (met of zonder D66) worden gerealiseerd. Ook het door dit kabinet aangekondigde nieuwe kiesstelsel (mede gebaseerd op districten) is van de baan, al wordt de invloed van voorkeursstemmen op de samenstelling van de Tweede Kamer nog wel een beetje vergroot.
En verder mag de nieuwe D66-minister voor Bestuurlijke Vernieuwing Pechtold tot 2007 onderzoeken, of er brede politieke consensus is te vinden voor verdergaande voorstellen die dan ook weer door een volgend kabinet (met of zonder D66) in gang kunnen worden gezet. Het zal voor Pechtold een hele klus worden daar in de ogen van de D66-achterban iets moois van te maken, waar zijn voorganger en partijgenoot De Graaf juist vond, dat er na het verlies van de gekozen burgermeester te weinig overbleef om nog minister te blijven.
Daarnaast bevat het paasakkoord afspraken over extra geld voor de onderwijs, kennis en innovatie en een multi-interpretabele afspraak over de toekomst van de publieke omroep. Over dat extra geld is nogal wat verwarring. Het gaat weliswaar inderdaad om 1 miljard euro, zoals voorstanders van voortzetting van de coalitie graag zeggen, maar daarvan is slechts 250 miljoen ook na volgend jaar nog gegarandeerd, omdat de onderwijsbegroting structureel met dat bedrag wordt verhoogd.
De rest van dat miljard bestaat uit meevallende inkomsten uit de Nederlandse aardgasopbrengsten en zijn het gevolg van de exorbitant hoge olieprijzen in de wereld. Wie kwaad wil, zou kunnen zeggen dat de innovatie van de Nederlandse kenniseconomie afhankelijk is gemaakt van de voortgaande instabiliteit in Irak. Veel D66-leden missen in het paasakkoord bovendien extra afspraken over zaken als het milieu, de zorg of de kinderopvang, waar inderdaad met geen woord over wordt gerept.
PvdA belonen
Toch zijn de meeste D66-ers het met D66-fractievoorzitter Dittrich eens, dat deze magere aanvullende afspraken met het CDA en de VVD op het regeerakkoord niet genoeg reden zijn om het kabinet-Balkenende nu spoorslags te verlaten. Volgens Dittrich zouden met zo'n stap immers vooral het CDA en de VVD door D66 worden gestraft voor het verlies van de gekozen burgermeester, terwijl het toch echt de PvdA-fractie in de Eerste Kamer was die met zijn negentien tegenstemmen de tweederde meerderheid voor de gekozen burgermeester onmogelijk heeft gemaakt. D66 zou ook gelet op de stand van zaken in de peilingen waar de PvdA op winst staat en de coalitiepartijen op verlies - met een keus voor een kabinetscrisis en nieuwe verkiezingen de PvdA juist belonen.
Daar komt volgens Dittrich nog eens bij, dat met een kabinetscrisis alle in gang gezette plannen rond de WAO, de nieuwe levensloopregeling en een nieuw zorgstelsel weer eindeloos ter discussie worden gesteld. De D66-fractievoorzitter vindt, dat D66 door het verdriet om de gekozen burgermeester niet het zicht moet verliezen op al die andere resultaten die het kabinet-Balkenende mede tot genoegen van D66 inmiddels wel voor elkaar heeft gekregen. D66 heeft zichzelf of is door anderen veel te lang alleen beoordeeld op het succes of het mislukken van de bestuurlijke vernieuwing, aldus Dittrich die nu vooral wil laten zien, dat zijn partij tegenwoordig beschikt over een veel bredere politieke agenda dan alleen de staatsinrichting.
Die keus voor een brede agenda als politiek handelsmerk van D66 roept echter nogal wat verzet op van een oudere generatie D66-ers, waarvan mede-oprichter en oud-partijleider Van Mierlo de meest uitgesproken exponent is. Zij hebben zich er de afgelopen decennia steeds weer op voorgestaan, dat D66 juist geen gewone partij als de anderen was met verkiezingsprogramma's waarin voor elk ministerie tot op alle punten en komma's plannetjes werden gemaakt.
De oprichters van D66 waren niet zozeer voor of tegen het beleid van deze of gene andere partijen; zij waren vooral verontrust over het toenmalige partijensysteem dat volgens hen nog steeds berustte op de maatschappelijke tegenstellingen van de 19e eeuw. Socialisten, liberalen en confessionelen met ieder een hondstrouwe achterban die eens in de vier jaar zijn eigen politieke voormannen aan de macht hield om vervolgens af te wachten, wat die voormannen voor hen zouden regelen.
Volgens de oprichters van D66 raakte dat systeem in de jaren zestig van de vorige eeuw definitief achterhaald. Kiezers voelden zich door de opkomst van massaconsumptie en massacommunicatie geen onderdeel meer van een duidelijke sociaal-economische klasse of een bepaalde religieuze gemeenschap, maar begrepen zich steeds meer als zelfstandige individuen die zonder de tussenkomst van verstarde politieke partijen zelf iets over de politiek te zeggen wilden hebben via rechtstreekse verkiezingen voor 's lands bestuurders, zoals premiers en burgermeesters. Die moderne kiezer voelde zich niet meer vertegenwoordigd door de verzuilde partijen van een eeuw eerder maar wilde zelf aan de macht.
Driestromenland
De idealen van de D66-oprichters gingen daarom juist niet in de eerste plaats over de sociale zekerheid, de inrichting van het onderwijs of de keus voor meer asfalt of openbaar vervoer. Zelfs de hervorming van de staatsinrichting was geen doel op zich. De voorstellen voor meer directe democratie waren vooral bedoeld om het oude driestromenland in de Nederlandse politiek voor eens en voor altijd te doorbreken. Onder druk van de mondige ontzuilde kiezer moest dat oude partijenstelsel ontploffen, als het moest met D66 zelf erbij. D66 was nu eenmaal geen gewone partij maar meer een beweging die niet in de eerste plaats hechtte aan de eigen organisatie maar aan de verbreiding van een nieuwe politieke cultuur.
Helaas voor de D66-oprichters bleek de overlevingsdrift van de oude partijen hardnekkiger dan gedacht. Naarmate de verwachte ontploffing uitbleef, groeide in D66 een stroming die vond, dat D66 dan ook maar zelf een echte partij moest worden als representant van een eigenstandige vierde stroming naast die drie anderen uit de tijd van de trekschuit. En dan ook maar met een volledige politieke agenda met eigen compromissen over sociale zekerheid, onderwijs en het openbaar vervoer.
Inmiddels heeft die laatste stroming het pleit in D66 bijna helemaal van de oprichters gewonnen. Een paar jaar geleden besloot een D66-congres zelf maar een 19e-eeuws ideologisch predikaat aan te nemen en noemt D66 zichzelf een sociaal-liberale partij. Over het ontploffen van andere politieke partijen hoor je sindsdien bijna niemand meer in D66, laat staan over het ontploffen van de eigen partij. Sterker nog, zelden zal een partijleider eerlijker over de motieven voor kabinetsdeelname geweest zijn dan D66-leider Dittrich dat was in 2003. Het was volgens Dittrich de enige manier om met slechts zes Kamerzetels zichtbaar te blijven en dus om D66 ook na 2007 nog in leven te houden. Diezelfde drang tot zelfbehoud klinkt ook nu weer daar bij de vraag, of D66 moet blijven regeren met het CDA en de VVD.
Toch is het een aardige gedachte juist nu met het oog van de D66-oprichters naar de huidige situatie te kijken. De toen voorspelde onthechting van de kiezer van het 19e-eeuwse politieke partijensysteem is pas de laatste tien jaar in volle omvang zichtbaar geworden. De verkiezingsuitslagen sinds 1994 behoren tot de grilligste van Europa. Het gaat daarbij niet alleen om grote slingerbewegingen tussen de drie oude hoofdstromingen in de Nederlandse politiek, maar ook om de opkomst van nieuwe partijen en bijna a-politieke personen die ook even snel weer verdwijnen. De aankondiging van een enorme explosie die geen van die drie oude partijen in zijn huidige vorm zal overleven hangt steeds nadrukkelijker in de lucht. Het enige wat D66 hoeft te doen om de boel tot ontploffing te brengen, is zaterdag nee zeggen tegen Dittrich.
En natuurlijk, ook D66 zou dat niet overleven.
Deel deze pagina