De Koerdische PKK-leidster Nuriye Kesbir mag niet worden uitgeleverd aan Turkije. De rechtbank in Den Haag heeft dat bepaald.
Kesbir spande een kort geding aan tegen de Staat om uitlevering te voorkomen. Ze vreest martelingen en andere schendingen van haar rechten wanneer ze wordt uitgeleverd aan Turkije.
Terroristische acties
De PKK-leidster, die op dit moment nog vastzit in een gevangenis in Breda, wordt in Turkije verdacht van deelname aan terroristische acties in de jaren negentig. Bij die acties vielen veel doden en gewonden. Kesbir zou ook vrouwelijke terroristen hebben getraind.
Minister Donner besloot haar in september aan Turkije uit te leveren. Hij zei dat hij van de Turkse regering de nadrukkelijke garantie had gekregen dat Kesbir een eerlijk proces krijgt en menswaardig behandeld wordt. Eerder had de Hoge Raad bepaald dat ze mocht worden uitgeleverd op voorwaarde dat Turkije die garanties gaf.
De rechter oordeelde dat minister Donner ten onrechte niet is ingegaan op kritische rapporten van organisaties als Human Rights Watch, Amnesty International en van een speciale VN-rapporteur. Hij heeft ten onrechte genoegen genomen met toezeggingen van de ambassadeur in Turkije dat de autoriteiten daar zich zullen houden aan hun internationale verplichtingen, aldus de rechter.
Juridische procedures
Kesbir werd in september 2001 aangehouden op Schiphol. Sindsdien probeert ze met juridische procedures te voorkomen dat ze wordt uitgeleverd. Tot dusver kreeg ze steeds nul op het rekest.
De Staat kan nog in beroep gaan tegen de uitspraak.