Een kat met negen levens, werd Yasser Arafat vaak genoemd. Van alle hoofdrolspelers in het conflict in het Midden-Oosten was de Palestijnse leider het vaakst verdreven, uitgeschakeld of irrelevant verklaard. Maar telkens wist hij weer terug te keren in het brandpunt van de wereldpolitiek.
Tot eind oktober, toen een ernstige ziekte hem dwong zijn hoofdkwartier in Ramallah te verlaten voor een medische behandeling in Frankrijk. Op 4 november werd gemeld dat Arafat hersendood was. Een week later komt het officiële bericht dat hij is overleden.
Jeugd
Arafat, met altijd de typerende sjaal om in de vorm van het land dat hij vertegenwoordigt, begint zijn leven aan de zijlijn van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Hoewel hij zelf volhoudt in Jeruzalem te zijn geboren stond zijn wieg in 1929 niet in het toenmalige Britse mandaatgebied Palestina, maar in Egypte. Van zijn ouders is weinig bekend.
In zijn jonge jaren studeert Arafat techniek, maar hij raakt als snel in de ban van het conflict tussen de in 1948 opgerichte staat Israël en de Arabieren. Eind jaren vijftig zet hij in Koeweit met vrienden, onder wie zijn latere tweede man Mahmoud Abbas, al-Fatah (de Overwinning, omgekeerd ook de afkorting van Beweging voor de Bevrijding van Palestina) op.
De bevrijding van Palestina moet gewapenderhand tot stand komen, vinden Arafat en zijn companen. De seculiere Al-Fatah doet voor het eerst duidelijk van zich spreken in 1968, een jaar na de voor de Arabieren dramatisch verlopen Zesdaagse Oorlog. Fatah brengt ten oosten van de rivier de Jordaan bij een veldslag het Israëlische leger tot staan. Een jaar later wordt Arafat benoemd tot voorzitter van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO, een koepel van diverse Palestijnse groeperingen.
Olijftak en geweer
Arafat heeft eind jaren zestig redelijk wat succes. Hij heeft een trouwe schare strijders om zich heen verzameld, is de absolute leider van de PLO, die hij met strakke hand leidt, en hij heeft de Palestijnse kwestie op de internationale politieke agenda weten te krijgen. Hij zelf is het gezicht van de Palestijnse strijd geworden.
Maar in 1970 volgt de eerste tegenslag. Na een bloedige veldslag, die de geschiedenis in gaat als Zwarte September, worden Arafat en zijn aanhang door koning Hussein Jordanië uitgezet en naar Beiroet verbannen. De PLO had in de voorgaande jaren zo'n macht opgebouwd in Jordanië dat de koning vreesde voor de eenheid van het land, waarvan de bewoners overigens voor het grootste deel Palestijns is.
Vanuit Libanon zet Arafat de gewapende strijd aanvankelijk voort, maar in de loop van de jaren zeventig slaat de Palestijnse leider het diplomatieke pad in. Dat besluit levert hem de nodige internationale krediet op. In 1974 spreekt Arafat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties toe, "met het geweer in de ene en een olijftak in de andere hand". De Arabische Liga erkent de PLO als "enige en legitieme vertegenwoordiger van het Palestijnse volk".
Arafat komt opnieuw in moeilijkheden als Israël in 1982 onder leiding van minister Sharon van Defensie Libanon binnenvalt. Sharon wil hem verdrijven. Hoewel Arafats legertje in de Libanese burgeroorlog een factor van betekenis is, is het dat niet voor de georganiseerde Israëlische troepen. Arafat wijkt uit naar Tunis. Daar leeft hij vele jaren in ballingschap, geïsoleerd van het Palestijnse volk.
Inschattingsfouten
Mede daardoor onderschat hij in december 1987 een incident in de Gazastrook, waarbij jongeren stenen gooien naar Israëlische soldaten. Hij doet het voorval af als een 'intifadah', een opstootje, een nietsbetekenend relletje. Het blijkt een misvatting, want de rellen slaan over naar de Westelijke Jordaanoever. Al snel is er sprake van een algehele volksopstand.
In 1990 maakt Arafat opnieuw een inschattingsfout. Hij kiest de zijde van de Iraakse leider Saddam Hussein, die Koeweit is binnengevallen. De keuze komt de PLO letterlijk duur te staan, want de geldstromen uit de Arabische Golfstaten, die Saddam juist vrezen, drogen op. Na de eerste Golfoorlog blijft Arafat aan de zijlijn staan, want hij mag niet naar de internationale vredesconferentie in Madrid.
Maar daar wordt weer eens duidelijk dat Israël niet om Yasser Arafat heen kan, hoe graag het dat ook zou willen. Ondanks zijn isolement in Tunis is Arafat nog altijd de grote leider van de Palestijnen, zonder wiens toestemming niets gebeurt. Het is daarom niemand minder dan Arafat die in 1993 triomfantelijk de hand schudt van de later vermoorde premier Rabin bij de ondertekening van de Oslo-akkoorden in de tuin van het Witte Huis.
Terugkeer
Een jaar later wordt Arafat juichend verwelkomd in de Gazastrook. Hij wordt tot voorzitter gekozen van de Palestijnse Autoriteit. President mag hij niet heten, want dat suggereert het bestaan van een onafhankelijke Palestijnse staat, en daarover moet nog worden onderhandeld, zo is in de Oslo-akkoorden afgesproken. Maar de gesprekken lopen vast, mede omdat de inmiddels sterk opgekomen islamitische Hamas-beweging voortdurend zelfmoordaanslagen in Israël pleegt.
Duidelijk is dat Arafat de Hamas en de Islamitische Jihad niet in de hand heeft. Maar er is meer waarin de Palestijnse leider faalt. In de gebieden onder zijn controle zijn de bureaucratie, de rechtspraak, de politie in meer of mindere mate corrupt of op zijn minst weinig effectief. Arafat komt als regeringsleider een stuk minder goed uit de verf dan als strijder voor de goede zaak.
'Irrelevant'
Pas in 2000 komen er nieuwe kansen op vrede tijdens de Camp Davidgesprekken. De onderhandelingen mislukken echter, volgens president Clinton omdat Arafat geen concessies wil doen. Kort daarna breekt de tweede Intifadah uit die veel bloediger zal verlopen dan de eerste. Israël beschuldigt Arafat ervan achter de nieuwe opstand te zitten.
Als op 11 september 2001 de terroristen hun gekaapte vliegtuigen laten neerstorten in de Verenigde Staten, staat Arafat bloed af voor de Amerikaanse slachtoffers. Maar de symbolische daad mag niet baten. Zowel president Bush als de Israëlische premier Sharon zeggen een jaar later dat Arafat is "besmet met terrorisme". Ze verklaren hem "irrelevant".
In die periode is Arafats hoofdkwartier in Ramallah al enige weken omsingeld door het Israëlische leger. President Bush wil dat Arafat afstand doet van de macht in de Palestijnse gebieden. Na zware druk stemt Arafat, die na dertig jaar in de internationale politiek nog altijd steenkolenengels brabbelt, in met de komst van een eerste Palestijnse premier. Het wordt Mahmoud Abbas. Maar die stapt al snel weer op.
In April 2003 volgt Ahmed Qurei, die meehielp bij het opstellen van de Oslo-akkoorden, Abbas op. Ook de tweede Palestijnse premier krijgt onenigheid met Arafat, onder meer over wie de minister van Binnenlandse Zaken moet worden.
Gezondheid
Arafats gezondheid kwakkelt jarenlang. In oktober verslechtert zijn conditie echter dramatisch. Zodanig zelfs dat hij voor behandeling in een Frans ziekenhuis moet worden opgenomen. Er wordt volop over zijn gezondheid gespeculeerd, maar het wordt niet duidelijk wat hem exact mankeert.
Op 4 november melden Israëlische media dat Arafat hersendood is. De Palestijnen en het Franse ziekenhuis ontkennen echter nadrukkelijk dat de Palestijnse leider is overleden. Precies een week later wordt het overlijden van Arafat door officiële bronnen bevestigd.