 |
Door historicus dr. Jan L.G. van Oudheusden
Doordat de rest van Nederland pas in mei 1945 bevrijd zou worden, was er in het bevrijde zuiden in het najaar van 1944 bestuurlijk een situatie ontstaan waarmee haast niemand rekening had gehouden. De verantwoordelijke instanties moesten improviseren.
Er waren wel richtlijnen van de overheid voor de tijd vlak na de bevrijding. De regering in Londen had die opgesteld in de vorm van een honderdtal wetsbesluiten.
Deze 'herstelwetgeving' bevatte regels voor de wederopbouw, bestraffing van collaborateurs, herstel van recht en orde, loonvorming, distributie, enzovoort.
Het dagelijks bestuur in de gemeente zou, behoudens zuivering, weer berusten bij de burgemeester en wethouders die op 10 mei 1940 die functie hadden bekleed, net als in de provincie bij de Commissaris van de Koningin en de Gedeputeerde Staten. Er was voorlopig geen sprake van democratische controle door gekozen volksvertegenwoordigers.
Met uitvoering van de herstelwetgeving was het Militair Gezag belast, onder chef-staf generaal-majoor H.J.Kruls, die vanuit Brussel opereerde. Militair Gezag had drie taken. Het onderhield contact tussen de geallieerde autoriteiten en de Nederlandse overheden; het was verantwoordelijk voor binnenlandse orde en veiligheid; en het kon in de plaats treden van de ministers, zolang die hun taken niet konden uitvoeren.
Het betekende dat Militair Gezag zich met van alles en nog wat kon bemoeien. De top was onder meer gerekruteerd uit Nederlanders die in Engeland voor Unilever, Shell of Philips gewerkt hadden.
Baasjes
Er was sprake van wildgroei. In september 1944 ging Militair Gezag van start met 740 medewerkers; in juni 1945 werkten er al 16.500 personen. Arrogantie was velen van hen niet vreemd; toen zich najaar 1944 enkele ministers als kwartiermakers in Oisterwijk vestigden om de wederopbouw ter hand te nemen, werden ze weggekeken door de baasjes van Militair Gezag. De heren konden slechts wat rondneuzen.
Wel ondervond Militair Gezag concurrentie van de Binnenlandse Strijdkrachten, die op het punt van ordebewaking hun bevoegdheden ver overschreden, en van groepen voormalige verzetslieden, die zich in november 1944 verenigden in de GOIWN (Gemeenschap van Oud-Illegale Werkers Nederland).
Vernieuwing
Bij de vakbeweging was een grote activiteit om de vakorganisaties operationeel te hebben naarmate het economische leven met horten en stoten op gang kwam. Werkgevers verenigden zich in fabrikantenkringen.
Aan het politieke front bleef het voorlopig rustig. In alle stilte werkten partijbestuurders aan de heroprichting van vooroorlogse partijen. Daar stond tegenover dat er in de pers en in diverse praatclubs intensief werd gediscussieerd over de vraag of een herstel van vooroorlogse organisaties en partijen wel wenselijk was.
Zou men niet moeten komen tot een ‘doorbraak’ van oude structuren? Zouden de levensbeschouwelijke tegenstellingen die voor 1940 het verenigingsleven het typische verzuilde karakter hadden verleend, niet overbrugd dienen te worden?
Reeds in december 1944 lieten echter de bisschoppen van Den Bosch en Breda (eerstgenoemde in een 'donderpreek' in de volle Sint-Janskathedraal) klip en klaar weten, dat katholieken zich verre dienden te houden van nieuwe eenheidsbonden. Dit bleek een ernstige ontmoediging voor elk initiatief tot maatschappelijke vernieuwing. Uiteindelijk leverde het doorbraakstreven slechts een mager resultaat op.
Meer lezen:
- L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10a, tweede helft (‘s-Gravenhage 1980).
- J.L.G. van Oudheusden en H.Verboom, Herstel- en vernieuwingsbeweging in het bevrijde zuiden 1944-1945 (Tilburg 1977).
- Jan A. van Oudheusden en Henk Termeer (red.), Tussen vrijheid en vrede (Zwolle 1994).
- Henk Termeer, ‘Het geweten der natie’ (Assen 1994).
|
|
 |
 |