|
Sprinten is geen ondergeschoven kindje meer
|
16-01-2004 |
Erben
Wennemars in het NOS Sportjournaal over zijn val kort voor de WK sprint
Het
vormde voor de Nederlandse schaatselite aanvankelijk nooit meer dan
een bijnummer. Sprinten? Dat was decennia onontgonnen terrein en slechts
voorbehouden aan liefhebbers als Jan Ykema, Lieuwe de Boer, Jos Valentijn,
Christine Aaftink en Geert Kuiper. Tegenwoordig staat het sprinten
ook in Nederland in aanzien. Jakko Jan Leeuwangh, topsprinter in ruste,
verhaalt aan de vooravond van de wereldkampioenschappen sprint in
Nagano tegen NOS Online over de opkomst van een explosieve discipline.
Sommige allrounders deden het er vroeger gewoon even bij. Hilbert
van der Duim en Hein Vergeer - niet de minsten - sloegen bij de mondiale
wereldkampioenschappen sprint bepaald geen slecht figuur. Die dagen
zijn echter definitief voorbij. Sprinten is een podium voor de echte
specialisten. En Nederland spreekt eindelijk een woordje mee, sinds
Jan Bos in 1998 als eerste (en enige) Nederlander de wereldtitel veroverde.
Volgens Leeuwangh is de opkomst van Nederland als sprintnatie niet
toe te schrijven aan één persoon. Eind jaren tachtig,
begin jaren negentig besloot de schaatsbond (KNSB), aldus de Alkmaarder,
om beleid te ontwikkelen met betrekking tot het sprinten. "Want
eigenlijk was het een ondergeschoven kindje, omdat we niet mee konden
komen met de top."
Er
werd een nationaal kampioenschap voor junioren in het leven geroepen,
terwijl er ook zogenaamde supersprintwedstrijden (over 100 en 300
meter) werden georganiseerd. Gerard van Velde en Christine Aaftink
hielden solo lang de nationale eer hoog. "Er was geen brede top",
herinnert Leeuwangh zich. De KNSB besloot uiteindelijk twee trainers
aan te stellen om de sprintkernploeg leven in te blazen. "Later
kwam Peter Mueller."
De Amerikaan kwam mede op initiatief van Van Velde, die midden jaren
negentig samen met Leeuwangh de mannelijke afvaardiging van de sprintkernploeg
vormde. Toch leidde Muellers komst aanvankelijk niet tot het gewenste
resultaat. Dat gebeurde pas nadat de klapschaats zijn intrede had
gedaan. "Toen sprong een aantal mensen meteen omhoog", aldus
Leeuwangh.
"Onder Mueller was het hard trainen en waren we veel van huis.
Het eerste jaar was heel slecht, we reden achteraan in de World Cups.
Mueller zei steeds dat we één ding nodig hadden: een
overwinning. Dan, zo dacht hij, wordt sprinten populair en kunnen
we naar een hoger niveau groeien. Hij wilde ook met een grote ploeg
werken, waarin iedereen elkaar aanmoedigde."
De
titel van Bos (Berlijn, 1998) bleek tot nu toe het enige tastbare
hoogtepunt. Sindsdien grossierde Nederland op het WK in ereplaatsen,
maar nooit werd zijn prestatie geëvenaard. Volgens Leeuwangh
moet zowel Erben Wennemars als Marianne Timmer in staat worden geacht
het kunstje te herhalen. "Het zijn belangrijke kanshebbers",
gelooft hij. "Maar in Japan staan er altijd een paar leeuwen
op je te wachten, hè. En dan heb je nog de Canadezen en Amerikanen..."
"Erben is", meent Leeuwangh, "op de één
of andere manier toch altijd wat nerveus voor zo'n toernooi. Dan laat
-ie in de eerste race wel eens een paar tienden liggen. Hij staat
natuurlijk onder grote druk. Als hij daarmee kan omgaan, dan maakt
hij een kans op de titel. Trouwens, laten we Van Velde ook niet uitvlakken..."
Bos
ontbreekt in Nagano. Hij is inmiddels voorbij gestreefd door Wennemars,
de vaandeldrager van de sprintequipe. Volgens Leeuwangh een gevolg
van Wennemars' wilskracht en mentale power. En niet eens zozeer vanwege
zijn talent. "Je bent pas getalenteerd als je iets bereikt",
doceert Leeuwangh, "niet als je goeie spieren hebt. Het mentale
aspect is belangrijker dan het lichamelijke talent. Dat vergeten sommige
mensen nog wel eens. Sporters die mentaal sterk zijn - zoals Wennemars
en ook Adne Søndral - komen uiteindelijk bovendrijven. De wil
om door te gaan is belangrijker dan de rest." |
| |