|
Waarom Balkenende niet aan regeren toekwam |
23-10-2002 |
Overzicht
geschiedenis LPF
Harry
Wijnschenk, de kortst zittende fractieleider uit de geschiedenis
Het
kabinet-Balkenende is op 16 oktober gevallen voor het aan regeren
toe kon komen. Na een tumultueuze periode van 86 dagen trokken VVD
en CDA de stekker eruit. Zij waren het 'gelazer' van coalitiepartner
LPF zat en hadden geen hoop op verbetering meer. Hoe heeft het zo
ver kunnen komen?
De verkiezingen van 15 mei maakten eigenlijk maar één
coalitie mogelijk: die van CDA, LPF en VVD. Informateur Donner, CDA-leider
Balkenende, LPF-onderhandelaar Herben en VVD-leider Zalm timmerden
vlot een regeerakoord in elkaar, waarna snel een ministersploeg werd
geformeerd.
Bij dat laatste ging het mis. Het CDA en de VVD kwamen vlot met geschikte
kandidaten, maar de LPF had daar aanmerkelijk meer moeite mee. Onder
tijdsdruk presenteerde zij uiteindelijk een lijst kandidaten, die
was samengesteld zonder dat daar een deugdelijke screening of serieuze
voorgesprekken aan vooraf waren gegaan. Dat wreekte zich meteen, toen
staatssecretaris Bijlhout acht uur na haar aantreden ontslag moest
nemen vanwege onthullingen over haar verleden in Suriname.
Buurman
De vier LPF-ministers kenden elkaar niet en hadden tot hun ministerschap
nauwelijks banden met de LPF gehad. Heinsbroek had nooit bijzondere
interesse voor de politiek getoond, maar had toegehapt toen zijn buurman
Ferry Hoogendijk hem op een feestje vroeg of hij minister wilde worden.
Bomhoff was tot twee weken na de dood van Fortuyn PvdA-lid geweest.
Nawijn was CDA-raadslid in Zoetermeer en De Boer, met wie slechts
een uurtje gesproken was, was VVD-lid en weigerde aanvankelijk ook
dat VVD-lidmaatschap op te geven.
Al
snel holden de LPF-ministers van het ene naar het andere incident.
Bomhoff wilde zonder uitleg van zijn topambtenaar af, Heinsbroek wilde
in strijd met het regeerakkoord een begrotingstekort accepteren om
zo de lasten flink te kunnen verlichten en Nawijn riep in strijd met
de grondwet dat criminele Nederlanders van allochtone komaf maar het
land uitgezet moesten worden.
De meeste problemen gaven aanvankelijk echter de LPF-fractie. Net
als de LPF-ministers was de fractie een haastig bijeengeraapt gezelschap
vol botsende karakters en ambities. Probleem was bovendien dat enige
politieke ervaring ontbrak, waardoor de middelmatige Mat Herben kwam
bovendrijven. Bij de formatie kon hij zich redelijk handhaven, al
vermoedde zijn fractie dat de ervaren Zalm en Balkenende hem beetnamen.
Maar bij de eerste confrontatie met de oppositie, in het Kamerdebat
over de regeringsverklaring ging het meteen grondig mis.
Vrienden
Herben bleek geen partij voor de linkse oppositie, en moest plaatsmaken
voor Harry Wijnschenk. Die ging in zijn eerste debat, tijdens de Algemene
Beschouwingen, echter nog veel harder onderuit. Mede door dit zwakke
optreden kwamen de spanningen binnen de fractie tot een uitbarsting.
Wijnschenks luidruchtigste tegenstander, Winny de Jong, werd uit de
fractie gezet, maar dat kon het verzet tegen Wijnschenk niet smoren.
Ook
op het niveau van de partijorganisatie woedde een machtsstrijd. De
drie vermogende vrienden van Fortuyn die samen met hem de LPF hadden
opgericht, vochten elkaar al voor zijn dood de tent uit. Nadat de
bestuursleden van het eerste uur Dost en Langendam met veel tumult
waren vertrokken, ontspon zich een vete tussen interim-voorzitter
Maas en Fortuyns vriend Albert de Booij, die beide ook weer vrienden
in de fractie hadden en aldus de onleefbaarheid in dat gezelschap
verergerden.
Terwijl Maas de regiobestuurders mobiliseerde om van Wijnschenk af
te komen, escaleerde het conflict tussen de ministers Bomhoff en Heinsbroek.
Inhoudelijk hadden ze geen probleem met elkaar, zoals Heinsbroek niet
naliet te benadrukken, maar hun karakters waren onverenigbaar. Wijnschenk
stak de lont in het kruitvat toen hij Heinsbroek opriep partijleider
te worden. Dat liet Bomhoff, die vice-premier was namens de LPF, niet
over zijn kant gaan.
Stekker
Na het overlijden van prins Claus ging het conflict, dat volledig
vast zat, ondergronds, maar direct na de begrafenis bleek dat er geen
oplossing mogelijk was. De LPF-fractie dacht het kabinet te redden
door Wijnschenk af te zetten en Bomhoff en Heinsbroek op te offeren,
maar voor Zalm en CDA-fractieleider Verhagen kwam dat te laat. Zij
hadden er geen vertrouwen meer in dat het goed kwam.
De LPF wees na afloop woedend naar Zalm, die vanwege het electorale
gewind "de stekker eruit had getrokken". Het is waar dat
de LPF op basis van de peilingen gedecimeerd zou worden. Ook is duidelijk
dat Zalm nooit veel zin in de coalitie met de LPF had gehad. Maar
de VVD stond er in de peilingen ook niet bepaald goed voor en als
Zalm al uit was op de val van het kabinet, dan had de LPF het hem
op zijn minst wel erg gemakkelijk gemaakt. Het lijkt dan ook weinig
gewaagd de LPF zelf aan te wijzen als hoofdschuldige van het debacle.
|
| |