|
Serve-volleyspelers: een uitstervend ras? |
22-06-2003 |
De
concentratie, het stuiteren met de bal, de opgooi, een allesverwoestende
uithaal waar de opponent misschien nog net het racket achter krijgt.
Op de volley is 'ie vervolgens kansloos. Het tennistoernooi van Wimbledon,
dat maandag van start gaat, is dé kans voor serve-volley spelers
op Grand Slam-succes. De enige, zo lijkt het wel, want de aanvallende
tennisspeler lijkt op zijn retour.
De aanvallers op de ATP Tour sterven uit. Oudgedienden als Patrick
Rafter, Goran Ivanisevic, Pete Sampras en Richard Krajicek zijn gestopt
of lopen op hun laatste benen en de opvolgers lijken in geen velden
of wegen te bekennen. "Ik ben geloof ik de enige speler onder
de 26 jaar die nog serve en volley speelt ", zei de Amerikaan
Taylor Dent vorig jaar.
De
eerste echte exponenten van de aanvallende speelstijl komen we inderdaad
pas rond de dertigste plaats tegen: nota bene Pete Sampras is op de
28ste plaats van de wereldranglijst de eerste en die heeft al een
tijdje zijn buik vol van het spel. Een plaats lager is Tim Henman
de eerste nog actieve serve-volleyspeler, maar de Brit breekt buiten
Wimbledon de laatste jaren niet al te veel potten.
En waar zijn de servicekanonnen, die op Wimbledon altijd weer voor
het voetlicht treden, gebleven? De man met de meeste aces op de ATP
Tour van vorig seizoen - Wayne Arthurs sloeg er 807 in 47 partijen
- vinden we pas terug op de 64ste plek. En runner-up Ivan Ljubicic
staat nog wel in de topvijftig, maar de Kroaat komt na zijn openingsknal
bij voorkeur niet van de baseline. Uit angst een winnende return om
de oren te krijgen. Een stijl waarmee niet alleen op gravel en hardcourt
kan worden geoogst, maar die ook op gras soelaas biedt, zo bewees
Andy Roddick vorige week op Queen's.
Het
kan Ljubicic moeilijk kwalijk worden genomen dat hij de stijl van
zijn grote voorbeeld Goran Ivanisevic niet kopieert. De tijd dat de
Wimbledon-kampioen van 2001 niet alleen op gras werd gevreesd, is
geweest. Tegenwoordig maken de baseliners de dienst uit. Zelfs op
Wimbledon, als de finalisten van vorig jaar, Lleyton Hewitt en David
Nalbandian als graadmeter gelden. Volgens de statistieken werd er
in die finale geen enkel serve-volley punt gescoord.
De hoofdoorzaak: de banen zijn in de loop der jaren minder snel gemaakt,
omdat men genoeg had van de servicekanonnen, die met vier klappen
hun opslaggame weer eens binnensleepten. De maatregelen kosten echter
ook spelers als Tim Henman de kop. Specialisatie in serve-volley brengt
alleen in de weken op en voor Wimbledon punten en geld in het laatje.
Maar zelfs het heilige gras in Londen boet aan snelheid in, zo liet
Henman deze week na veertig minuten training op Wimbledon weten.
Opnieuw
een baseliner dus als de koning van Wimbledon? De Spaanstaligen, van
wie er meer en meer in de toptien doordringen de laatste jaren, zijn
vooralsnog niet echt overtuigd. Albert Costa en Carlos Moyá
stappen in ieder geval niet op het vliegtuig naar Londen, de banen
zijn er nog niet traag genoeg. Maar liefhebbers van een snelle, maar
niet te snelle ondergrond - de Agassi's en de Hewitts - zullen glimlachend
de trainingservaring van Henman hebben aangehoord.
Misschien lacht de allrounder van het gezelschap, de Zwitser Roger
Federer beheerst als één van de weinigen alle stijlen,
over twee weken wel het hardst. |
|
|