|
Virussen: profiel van een wonderwezen |
|
SARS, vogelpest, MKZ. Vat het nieuws van de afgelopen tijd in een
paar woorden samen, en het woord 'virus' valt gegarandeerd. Maar wat
is eigenlijk een virus? Een profiel van een ziektekiem die zonder
twijfel een van de wonderlijkste levensvormen is die we kennen.
Wat is een virus?
Wat is het verschil met een bacterie?
Wat doet een virus?
Waarom komt een virus soms van pas?
Wat is het probleem met virussen?
Hoe bestrijd je een virus?
Komen we ooit van virussen af?
Wat is een virus?
Noem ze gerust de meest intrigerende objecten ter wereld, die virussen.
Het virus is waar de wereld van de dode natuur ophoudt en die van
de levende natuur begint. Virussen leven niet echt, maar zijn ook
niet echt dood. Er zijn aanwijzingen dat er al virussen waren toen
er nog geen ander leven op aarde bestond - dat alles wat leeft afstamt
van het virus.
Maar
griezeltjes zijn het natuurlijk ook. 'Virus' betekent oorspronkelijk
'vergif', en met reden. Iedere dag lopen miljoenen mensen een virus
op. Er lopen meer mensen mét dan zónder virus rond. En ieder jaar
weer eisen de virussen miljoenen mensenlevens.
Toch valt daarop iets af te dingen. De meeste virussen doen ons niets.
En van de virussen die ons wél iets doen, zorgt het overgrote deel
voor onschuldige ziekteverschijnselen, zoals een loopneus, een koortslip
of een paar vlekjes. Geen virus dat er belang bij heeft om zijn gastheer
dood te maken.
Als er al iemand ziek wordt door een virus, is dat in de regel een
ongelukje, een bijwerking die het virus zelf niet zo bedoeld zal hebben.
De vuistregel lijkt: virussen zijn er niet om ons ziek te maken.
Wat is het verschil met een bacterie?
Veel mensen scheren virussen over één kam met bacteriën: het is klein
en je wordt er ziek van. Maar zet een virus naast een bacterie en
de verschillen zijn gigantisch. Eerste, meest in het oog springende
verschil: het virus is honderdmaal kleiner dan de bacterie. Een virus
staat tot een bacterie als een mens tot een flatgebouw.
En: de bacterie leeft, het virus is een twijfelgeval. De bacterie
is een levende cel, met een celwand eromheen en honderden of duizenden
onderdeeltjes en chemicaliën erin. De bacterie voedt zich en plant
zich zelfstandig voort.
Nee, dan het virus. Het virus heeft een gastheer nodig om zich voort
te planten. Het virus is slechts een pakketje erfelijke informatie
(DNA of RNA) met een membraan eromheen. Het virus is het beste vergelijkbaar
met een kettingbrief met de woorden: "Wil de vinder van dit briefje
deze tekst zoveel mogelijk keer overschrijven?"
Die vinder, dat is de gastheer: de plant of het dier dat geïnfecteerd
raakt met het virus. Eenmaal binnen wurmt het virus zich de cellen
van zijn gastheer binnen. Daar maakt het virus gebruik van de daar
aanwezige moleculen en chemicaliën om kopieën te maken van zichzelf.
Wat doet een virus?
Virussen willen maar één ding: blijven leven. Om dat voor elkaar te
krijgen, is het virus erop uit zoveel mogelijk kopieën van zichzelf
te laten maken, en die kopieën zoveel mogelijk te verspreiden. En
ja, daarbij saboteert een virus soms zijn gastheer.
Dat
saboteren gebeurt in de regel per ongeluk. Een virus vergt bij het
kopieerproces zóveel van een cel, dat de cel stukgaat. Of het virus
laat per ongeluk het alarmsysteem van het lichaam afgaan, waarna er
een afweerreactie op gang komt. Zo gaat het bijvoorbeeld bij SARS:
niet het virus, maar de afweerreactie sloopt het lichaam van de patiënt.
Andere virussen veroorzaken vreselijke zweren of tumoren. Ook dat
doen ze niet om hun gastheer te doden - maar om zichzelf te verspreiden.
Zo gaat het bijvoorbeeld bij het muizenvirus MMTV. Het virus gaat
een cel binnen en saboteert die zodanig dat de cel zich in de wilde
weg gaat delen. Het virus profiteert daarvan: ook het virus wordt
met iedere celdeling vermeerderd. De gastheer sterft uiteindelijk
een akelige dood. Maar het virus is tegen die tijd via de eierleg
allang verhuisd naar zijn volgende gastheer.
In weer andere gevallen gaat het mis als het virus zichzelf probeert
te beschermen tegen het afweersysteem van zijn gastheer. Zo werkt
bijvoorbeeld aids. Het aidsvirus HIV houdt zich het immuunsysteem
van zijn gastheer van het lijf door er bovenop te springen en het
gegijzeld te houden. Dat de gastheer daardoor ook kwetsbaar wordt
voor heel andere infecties, is wat het virus betreft bijzaak.
Gelukkig merken we van de meeste virussen niet veel. De zogeheten
'retrovirussen' begraven zichzelf in ons erfelijk materiaal, het DNA,
om daar na jaren of zelfs eeuwen weer uit tevoorschijn te komen -
als een kikker die overwintert in de modder.
Andere virussen liften een tijdje met ons mee, vermenigvuldigen zich,
en springen via niezen, hoesten of seks weer naar de volgende gastheer.
Het is geen toeval dat virussen zich verspreiden langs dingen die
voor hun gastheer noodzakelijk zijn, zoals ademhalen, drinken en seks.
Zo garanderen virussen hun voortbestaan.
Waarom komt een virus soms van pas?
Bij sommige virussen hebben we zelfs baat. Er bestaan virussen die
beschermen tegen ziekte. Ze houden andere, concurrerende virussen
op afstand. Vandaar inentingen als de pokkenprik. Iemand wordt ingespoten
met een zwakke, maar levende variant van het pokkenvirus. Die variant
is te zwak om iemand erg ziek te maken, maar nestelt zich wel in het
lichaam. Daar houdt het voortaan virus andere, heftigere pokkenvarianten
buiten de deur. Hoe dat precies werkt, is onbekend.
En dat is niet het enige. In de voormalige Sovjet-Unie kende men zelfs
een complete geneeskunde die was gebaseerd op virussen. Terwijl men
in het Westen antibiotica gebruikte om bacteriën te doden, doodde
men in de Sovjet-Unie bacteriën met speciale bacterievirussen, de
zogeheten 'fagen'. Nog altijd zijn er artsen die geloven dat fagen
de antibiotica van de toekomst zijn.
Vooral
retrovirussen kunnen nuttig zijn voor de gastheer. Dat is hun strategie
om te overleven: help je gastheer, en je hebt zelf ook meer kans om
te overleven. Bij mensen is een retrovirus ervoor verantwoordelijk
dat we zetmeel als zoet proeven. Waarom het retrovirus ons die dienst
bewijst, is overigens niet duidelijk.
Spectaculairder is dat een retrovirus ervoor verantwoordelijk lijkt
dat mensen kinderen kunnen krijgen. Het retrovirus bouwde zichzelf
vele miljoenen jaren geleden in in ons erfelijk materiaal en lijkt
ervoor te zorgen dat ons afweersysteem een embryo niet afstoot. Zo
is er een win-win-situatie ontstaan. Het virus is vergroeid met ons
erfelijk materiaal en is feitelijk onsterfelijk geworden; zijn gastheer
- de mens - kan zich dankzij het virus voortplanten.
Wat is het probleem met virussen?
Van een andere overlevingseigenschap van virussen hebben we beduidend
meer last: ze veranderen voortdurend van vorm. Zo hopen ze het immuunsysteem
van hun gastheer te misleiden. Veel virussen kunnen zelfs erfelijk
materiaal uitwisselen met andere virussen. Van het ene op het andere
moment ontstaat er dan een geheel nieuwe virusvariant, vergelijkbaar
met een mens die tussen de baby's door nu en dan opeens een kalf baart
of een kippenei legt.
Gevolg daarvan is echter ook dat virussen ongrijpbaar zijn. Voortdurend
duiken er nieuwe virussoorten en -varianten op. Vandaar dat er ieder
jaar nieuwe griep- en verkoudheidsvarianten zijn, dat er soms opeens
varkens en mensen besmet raken met vogelpest en dat er telkens nieuwe
virusziekten opduiken. Hepatitis C, aids, SARS en ebola zijn de bekendste
nieuwkomers van de laatste decennia. Maar er overleden ook vele honderden
mensen aan andere, onbekendere nieuwe virussen: hendra, nipah, hantaan,
Marburg, Andes en het virus zonder naam.
Het
verraderlijke is dat virussen niet alle diersoorten even ziek maken.
Aids is bij apen onschuldig, maar bij mensen dodelijk. Herpesvariant
8 doet apen niets, maar kan bij mensen kanker opwekken. De familie
van de zogeheten hantavirussen geeft knaagdieren hooguit een verkoudheid,
maar mensen gaan eraan dood. "Sluipmoordenaars", worden virussen daarom
genoemd. Virussen kunnen jaren, eeuwen of zelfs miljoenen jaren lang
een onopvallend, sluimerbestaan leiden bij de een of andere gastheer.
En dan, opeens, springen ze naar een andere soort, en barst de hel
los.
Een goed voorbeeld is het pokkenvirus, een van de meest dodelijke
virussen die de mens ooit heeft gekend. In 1977 dacht de mens het
pokkenvirus te hebben uitgebannen. Maar sindsdien wordt de mens voortdurend
besprongen door varianten van het pokkenvirus, afkomstig van apen,
runderen, koeien, kamelen, ratten of muizen. Experts vrezen dat het
een kwestie van tijd is voordat een nieuwe epidemie van de pokken
uitbreekt.
Hoe bestrijd je een virus?
En o ja: virussen zijn nagenoeg onkwetsbaar en zo goed als onsterfelijk.
Ze kunnen tegen extreme hitte en kou, weerstaan bijtend zuur en worden
niet oud.
Wat ook al niet helpt, is dat een virus zich nestelt diep in de cellen
van zijn gastheer. Dat maakt dat geneesmiddelen er niet bij kunnen
zonder ook het weefsel van de gastheer te beschadigen.
De enige manier om een virusinfectie te bestrijden is met nóg meer
virussen - met een vaccin. Doorgaans bestaat zo'n vaccin uit een verzwakte
variant van het virus. Die variant nestelt zich in het lichaam en
houdt daarna andere virussen buiten de deur.
Andere vaccins zetten het immuunsysteem op scherp door het te 'leren'
hoe het virus eruit ziet - alsof de politie voor een bankoverval alvast
een foto van de daders krijgt.
Artsen maken bij het bestrijden van een virusinfectie verder gebruik
van allerlei hulpmedicijnen, zoals antivirale middelen, antibiotica
en steroïden. Maar zulke medicijnen zijn niet gericht tegen de virusinfectie
zélf; hooguit helpen ze het lichaam een handje bij de bestrijding
van de infectie. Denk aan neusdruppels en het stoombadje bij verkoudheid.
Die verlichten de symptomen en versnellen misschien de genezing. Maar
weggaan doet een verkoudheid alleen vanzelf.
Ook
vaccins zijn niet helaas niet zaligmakend. Anders dan veel mensen
denken is het soms zeer moeizaam om er eentje te maken. Voor HIV bestaat,
bijna een kwart eeuw na de ontdekking van aids, nog altijd geen inenting.
Een ander, misschien nog groter probleem is dat vaccins zélf vaak
ziek maken. Als alle Nederlanders preventief zouden worden ingeënt
tegen de pokken, zou dat honderden mensen het leven kosten.
Komen we ooit van virussen af?
Eén ding weten we zeker: wat we ook proberen, hoeveel vaccins we ook
maken - de virussen zullen altijd bij ons zijn. Virussen waren er
eerder dan de mensen, en zullen er dankzij hun vermogen om van soort
naar soort te springen waarschijnlijk nog steeds zijn als de mens
ooit uitsterft.
Sterker nog, er zijn goede aanwijzingen dat het virus de oudste levensvorm
ter wereld is, een voorloper van het vroegste leven. Wie had dat gedacht:
misschien zijn we verre afstammelingen van de griep, de pokken en
SARS.
|
|
|