|
Maandag zes mei, even na zessen
|
|
Van
de Kerkhof is als eerste ter plaatse en doet verslag voor het Radio 1 Journaal
Door Joris van de Kerkhof - Radio
1 Journaal - 9 mei 2002
"Pim Fortuyn zou zijn neergeschoten. Ik weet niet of het waar
is, maar ga toch maar even kijken." De redactie van het Radio
1 Journaal is een paar honderd meter van de plek waar het gebeurd
zou zijn. En ik ben toevallig op de redactie.
Het is natuurlijk niet waar, maar ik ga er toch maar snel naar toe.
De telefoon gaat, en dezelfde collega zegt dat het wel waar is. Voor
de eerste slagboom staat een meneer. Geen idee wie het is.
Hij zegt dat ik op de goede plek ben. De naam Fortuyn valt niet. Ik
kan gewoon doorlopen. Paul van der Lugt komt er aan gelopen. Hij is
de baas van 3FM. De paniek barst uit zijn ogen. "Ik kan nu even
niet met je praten."
Ik kan gewoon doorlopen. Albert de Booy staat daar te bellen. De Booy
is directeur van de Speakers Academy. Hij is een vertrouweling van
Fortuyn. Hij is de man die Fortuyn er boven op hielp na de breuk met
Leefbaar Nederland. Hij is de man die zei dat Fortuyn met een eigen
lijst moest komen.
"Dag Joris", zegt de Booy op een toon waar eigenlijk het
zinnetje "hoe gaat het met je" achteraan hoort. We kennen
elkaar. De afgelopen dagen hadden we veel contact over de deelname
van Fortuyn aan het radio 1 lijsttrekkersdebat van 5 mei.
Op het moment dat ik De Booy begroet, zie ik naast hem een man in
een grijs pak op de grond liggen. Ik zie zijn hoofd nog niet, maar
het kan niemand anders zijn dan Pim Fortuyn. Hij moet echt in elkaar
gezakt zijn. Z'n benen zijn opgevouwen, z'n voeten liggen onder z'n
billen en hij ligt met z'n rug op het asfalt. Naast hem een plasje
bloed.
"Leeft hij nog Albert?"
"Ja hoor Joris, hij leeft nog"
"Wat is er gebeurd?"
"Ik liep voor Pim en hoorde achter me een klapperpistooltje afgaan.
Tenminste daar leek het op. Het is een grap, dacht ik. Maar toen keek
ik om…"
De Booy gaat verder met een gesprek via zijn mobiele telefoon. Hij
moet verdoofd zijn. Hoe kan hij mij anders zo rustig te woord staan.
Mijn telefoon staat ook nog aan. Ook ik kan mijn gesprek voortzetten;
op de radio kan ik zeggen wat ik zie. Ik zie twee vrouwen die zich
over Pim Fortuyn hebben gebogen: "Pim; wakker blijven hoor. Pim;
bij ons blijven. Pim; niet weggaan. Pim; bij ons blijven. Pim; blijf
bij ons. Pim, Pim, Pim. Pim, alsjeblieft…" De ambulance komt,
en nog een ambulance komt.
Nu krijg ik het vriendelijke verzoek van de beveiliging om weg te
gaan. Rood-wit geblokte linten worden gespannen. Maar ik kan gewoon
verslag blijven doen van wat ik zie. Ik hoor vooral de stemmen van
de twee vrouwen: "Pim, Pim, Pim. Pim, alsjeblieft…"
|
|
|