|
Het
gerechtshof in Den Haag heeft de klacht van de advocaten Spong en
Hammerstein in de zogenoemde 'haatzaai-kwestie' afgewezen. Volgens
de advocaten maakten politici en journalisten zich schuldig aan
het aanzetten tot haat jegens de persoon van de vorig jaar vermoorde
politicus Pim Fortuyn en zijn geestverwanten.
Het Openbaar Ministerie (OM) in Rotterdam besloot vorig jaar juni
geen strafvervolging in te stellen naar aanleiding van de aanklacht
van de advocaten. Daarop dienden zij een klacht in bij het gerechtshof.
Tegen de afwijzende beschikking van het hof kan niet in hoger beroep
of cassatie worden gegaan.
Aangifte
Het advocatenduo op 13 mei 2002, een week na de moord op Fortuyn,
aangifte tegen negen politici en journalisten. Het gaat om de politici
Thom de Graaf (D66), Bas Eenhoorn (VVD) en Rob Oudkerk (PvdA). De
beklaagde journalisten waren Marcel van Dam (Vara en De Volkskrant),
Peter Storm (De Socialist), Matty Verkamman (Trouw), de hele redactie
van NRC Handelsblad en een aantal website-makers.
Fortuyn had de twee advocaten kort voor zijn dood verzocht dat zij,
als hij zou worden vermoord, degenen die zouden hebben bijgedragen
aan zijn demonisering voor de rechter zouden slepen.
Het
Rotterdamse OM wilde niet overgaan tot vervolging omdat de uitlatingen
van de betrokken politici en journalisten waren gericht tegen het
"politieke gedachtegoed" van Fortuyn. Het OM oordeelde
dat een politieke overtuiging niet onder artikel 137d uit het Wetboek
van Strafrecht valt, dat het aanzetten tot haat, discriminatie van
mensen wegens onder meer ras, godsdienst of levensovertuiging behandelt.
Hof
De advocaten Spong en Hammerstein spanden daarop de klachtprocedure
bij het hof aan, om alsnog vervolging te bewerkstelligen. Het hof
deelt de visie van het Rotterdamse OM. Levensovertuiging en politieke
overtuiging kunnen elkaar raken en zelfs deels overlappen, maar
zijn in de kern verschillende begrippen, aldus het rechtscollege.
Het hof heeft de klagers tevens niet-ontvankelijk verklaard, omdat
zij geen "rechtstreeks belanghebbenden" zijn. Door zijn
overlijden is het procesbelang van Pim Fortuyn komen te vervallen,
aldus het hof.
Vier broers en zusters van Fortuyn, die zich later hebben gevoegd
in de klachtprocedure, werden door het hof eveneens niet-ontvankelijk
verklaard, omdat 'voeging' in een lopende beklagprocedure wettelijk
niet mogelijk is. Het hof ziet in dat zij een indirect belang hebben
bij de verlangde strafvervolging, maar dit is onvoldoende om hen
als rechtstreeks belanghebbende aan te merken.
LPF
De LPF-fractie reageerde teleurgesteld op de uitspraak. Volgens
het Tweede-Kamerlid Eerdmans heeft de rechter de wet wel erg strikt
uitgelegd. "Daardoor wordt de deur opengelaten voor een nieuwe
vogelvrijverklaring van een populaire politicus," meent hij.
Aan de andere kant denkt hij dat de publiciteit er wel toe heeft
geleid dat het onderling verkeer tussen politici is verbeterd.
Site tip: Persbericht
op site Rechtspraak.nl
|