|
Hieronder
volgt de integrale tekst van de brief aan premier Kok, waarin minister
Peper zijn ontslag als minister van Binnenlandse Zaken maandag aankondigde.
Aan de heer W. Kok
Minister-President
Minister van Algemene Zaken
Binnenhof 20
2513 AA 's-Gravenhage
's-Gravenhage, 13 maart 2000
Het rumoer - in het bijzonder in de vorm van aantijgingen en verdachtmakingen
over mijn integriteit -, dat sinds de vroege herfst van 1999 tot
op heden, het vroege voorjaar van 2000, is ontstaan en nog steeds
voortduurt, is een aanmerkelijke belasting voor het openbaar bestuur.
De aanleiding voor dit alles is, zoals bekend, een onderzoek dat
een commissie uit de Gemeenteraad van Rotterdam - de Commissie tot
Onderzoek van de Rekening (COR) - uitvoert naar de bestuurskosten
van de Colleges van Burgemeester en Wethouders in de periode 1986
- 1999. In die periode - tot begin augustus 1998 - was ik burgemeester
van Rotterdam (1982-1998). In die verantwoordelijkheid ben ik nu
- naast de wethouders in de onderzochte periode - object van onderzoek.
Bij herhaling zijn de afgelopen maanden de - als vertrouwelijk aangemerkte
- werkzaamheden en documenten van deze onderzoekscommissie naar
buiten gekomen, met alle gevolgen vandien, in het bijzonder waar
het gaat om mijn eer en goede naam.
Het belang van het openbaar bestuur en mijn wens om in vrijheid
te (kunnen) reageren op de bevindingen in de rapportages, en om
deze te kunnen aanvechten, laten zien, naar mijn opvatting, niet
verenigen met de voortzetting van het ministerschap (van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties). De positie van de minister die verantwoordelijk
is voor het openbaar bestuur, veronderstelt dat hij op een gezagsvolle,
dus onomstreden wijze leiding kan geven aan ditzelfde openbaar bestuur.
De kwestie-Rotterdam zal - zo voorzie ik - immers nog lange tijd
aandacht blijven trekken. Het openbaar bestuur is mij te lief om
het in de weg te staan. Overigens: het bewaken en verdedigen van
mijn intellectuele en persoonlijke integriteit houdt voorts ten
diepste in het vermogen afstand te houden, respectievelijk de bereidheid
afscheid te nemen. Dat doe ik nu.
Te werken aan een zelfbewust, gedurfd en solide openbaar bestuur
blijft een immens belangrijke opgave voor ons land. Dat ik daar
zelf als minister geen bijdrage meer aan kan leveren, is wel het
minste ongemak dat Nederland kan overkomen.
Met het verzoek aan u om te bewilligen in de aanvaarding van mijn
ontslag met onmiddellijke ingang, en om doorgeleiding van dit verzoek
aan Hare Majesteit de Koningin, verblijf ik,
Met vriendelijke groet en hoogachting,
A. Peper
|