|
Begin
2001, op 20 februari, brak mond- en klauwzeer (mkz) uit in het noorden
van Engeland. Van daaruit verspreidde het virus zich naar tal van
landen, waaronder Nederland. Groot-Brittannië is op 14 januari
2002, zeven maanden na het einde van de crisis in ons land, officieel
vrij van mkz verklaard. Sinds het begin van de uitbraak zijn meer
dan vier miljoen dieren afgemaakt.
Tijdens de crisis in Groot-Brittannië werd meermaals werd de
hoop gekoesterd dat alles voorbij was, bijvoorbeeld in mei 2001.
Op 17 mei was voor het eerst in drie maanden geen nieuw geval van
mkz meer vastgesteld. Op het hoogtepunt van de crisis, eind maart,
kwamen er dagelijks nog vijftig nieuwe gevallen bij.
Einde was nog niet in zicht
Ondanks goede vooruitzichten doken opnieuw gevallen van mkz op.
Deze concentreerden zich rond North Yorkshire. In tien dagen tijd
werden op vijftien bedrijven in de omgeving besmette dieren gevonden.
De boeren uitten kritiek op de regering, die niet snel genoeg zou
hebben gereageerd op de uitbraak.
In het Verenigd Koninkrijk waren begin augustus 1921 gevallen van
mkz bekend. Ter vergelijking: in Nederland werd bij dieren op 26
bedrijven mond- en klauwzeer vastgesteld.
Torenhoge
kosten
De kosten van de epidemie in Engeland liepen intussen flink uit
de hand. Afgezien van de inkomstenderving in en rond de veehouderij,
had de overheid eind oktober 2001 al zo'n 3,5 miljard gulden aan
schadevergoedingen aan boeren uitgekeerd.
Voor nog meer onrust zorgden de aanhoudende geruchten dat veehouders
hun dieren expres zouden besmetten. De vergoeding voor een geruimd
dier is namelijk hoger dan de marktprijs. Het ministerie van Milieu,
Voedsel en Landschapsbeheer heeft beloofd de 'mond- en klauwzeermiljonairs'
onder de loep te nemen.
|