|
Macedonië - de aanleiding tot het conflict
|
|
De
Joegoslavische Republiek Macedonië maakte sinds 1918 deel uit van
Joegoslavië, maar is sinds 1991 onafhankelijk. Er wonen ongeveer twee
miljoen mensen. De meesten zijn Macedoniër. Ongeveer eenderde is Albanees.
Daarnaast wonen er Turken, Roma-zigeuners, Serviërs en Bulgaren.
De onrust begint in februari 2001 in het noorden van Macedonië.
Zo'n 200 tot 250 fanatieke rebellen voeren er een guerilla tegen de
Servische politie. Daarbij komen drie politiemannen om het leven.
Dat is de aanleiding voor de lichtbewapende politiemacht om zich terug
te trekken uit de vijf kilometer brede bufferzone langs de grens.
Die zone is ingesteld in juni 1999, toen er een einde kwam aan de
oorlog tussen de Navo en Joegoslavië. Het Joegoslavische leger en
de Kfor-vredesmacht van de Navo mogen zich er niet vertonen.
Tweederangs
burgers
De Albanese rebellen willen meer rechten voor de Albanezen in Macedonië,
die zich tweederangsburgers voelen. Verder vechten ze voor een onafhankelijke
Albanese staat. Die moet bestaan uit Kosovo, de Presevo-vallei in
West-Servië en West-Macedonië.
Een aantal van de Macedonische Albanezen heeft zich aangesloten bij
het Bevrijdingsleger van Presevo, Medvedja en Bujanovac (UCPMB) in
de Presevo-vallei, dat voornamelijk bestaat uit Albanezen uit Kosovo.
De Navo vindt de situatie te penibel worden. De Albanese rebellen
kunnen via de bufferzone gemakkelijk naar de Presevo-vallei gaan om
munitie en manschappen naar Macedonië te smokkelen. Daardoor zouden
de gewelddadigheden kunnen escaleren. En dat zou er weer voor kunnen
zorgen dat op de de hele Balkan de vlam in de pan slaat.
Toch weer militairen in bufferzone
De
internationale veiligheidsorganisatie besluit daarom alsnog Kfor-troepen
en zwaarbewapende Joegoslavische legereenheden in de bufferzone toe
te laten.
Dat leidt er niet toe dat de onrust in Noord-Macedonië over is. De
rebellen moeten de controle over het gehucht Tanusevci aan de autoriteiten
overdragen. Maar ze houden de naburige dorpen Malino en Brest in handen.
Op 14 maart trekken ze de tweede stad van Macedonië, Tetovo, binnen.
Ze veroveren een burcht in de buurt van het centrum. Het is een strategisch
punt, omdat het sluipschutters uitzicht biedt over heel Totovo. Er
volgen hevige vuurgevechten. Veel inwoners zijn de stad dan al ontvlucht.
De maanden die volgen kenmerken zich door een felle strijd tussen
de rebellen en het Macedonische leger. De partijen roepen verschillende
malen een staakt-het-vuren uit, dat dan direct weer wordt geschonden.
Op 13 augustus wordt, onder grote druk van de Navo en de Europese
Unie, een vredesakkoord gesloten. |
|
|