|
Rio
de Janeiro - 1992
Berlijn - 1995
Kyoto
- 1997
Den Haag - 2000
Bonn - 2001
Rio
de Janeiro - 1992
De
eerste klimaatconferentie van de Verenigde Naties wordt in 1992
gehouden in Rio de Janeiro. In de jaren '80 was bij wetenschappers
het besef doorgedrongen dat de toenemende uitstoot van broeikasgassen
leidt tot een stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde. De
klimaatverandering die daarvan het gevolg is, vormt een ernstige
bedreiging voor mens en milieu. De 150 deelnemende partijen aan
de klimaatconferentie zijn het erover eens dat die ontwikkeling
een halt moet worden toegeroepen.
De
partijen maken in Rio de Janeiro de eerste - niet bindende - afspraken
die moeten leiden tot vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.
Die afspraken worden vastgelegd in het Klimaatverdrag. De doelstelling
van het verdrag is: "Het stabiliseren van de concentratie van
broeikasgassen in de atmosfeer op een zodanig niveau dat een gevaarlijke
menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen." De deelnemende
geïndustrialiseerde landen spreken af dat zij zich zullen inspannen
om in het jaar 2000 de gezamenlijke uitstoot (emissies) van broeikasgassen
terug te brengen tot het niveau van 1990.
Terug naar boven
Berlijn - 1995
Het Klimaatverdrag is een eerste stap op de goede weg, maar
het is duidelijk dat de partijen bindende afspraken moeten maken
en dat er een systeem moet komen om controle mogelijk te maken.
Bovendien
is het de vraag of stabilisatie van de uitstoot wel voldoende is
om de doelstelling te bereiken. In 1995 komen de partijen die het
Klimaatverdrag ondertekenden opnieuw bijeen in Berlijn. Daar besluiten
ze op welke punten er verder onderhandeld moet worden om de maatregelen
in het verdrag aan te scherpen. Ook wordt duidelijk dat er afspraken
moeten komen voor na het jaar 2000. De partijen leggen vast dat
de eerste uitstootbeperkingen van broeikasgassen in de geïndustrialiseerde
landen moet plaatsvinden en niet in ontwikkelingslanden. Het Berlijn-mandaat
vormt de basis voor het Kyoto Protocol in 1997.
Terug naar boven
Kyoto
- 1997
In het Japanse Kyoto komen alle partijen in 1997 opnieuw bij
elkaar. Daar wordt het Kyoto Protocol aangenomen in aanvulling op
het Klimaatverdrag. De industrielanden spreken af om de uitstoot
van broeikasgassen in de periode 2008-2012 gemiddeld met 5 procent
te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990.
Per
land gelden uiteenlopende reductiepercentages. Zo moeten de Verenigde
Staten de uitstoot met 7 procent verminderen, voor Japan geldt 6
procent en voor de Europese Unie als geheel 8 procent. Er zijn ook
landen met een de uitstoot mogen laten groeien. Die hebben bijvoorbeeld
omdat zij een relatief lage economische groei hebben en in staat
gesteld moeten worden verder te groeien. Daardoor is het mogelijk
dat Portugal de uitstoot met maximaal 27 procent mag vermeerderen,
terwijl Nederland een vermindering van 6 procent moet halen.
Om
te voldoen aan de eis tot verminderen van de uitstoot kunnen de
landen gebruik maken van een aantal ‘flexibele instrumenten’.
. Zij mogen landen de opname van broeigaskassen door de aanleg
van nieuwe bossen (zogenaamde 'sinks') meetellen bij het realiseren
van de reductie. . Zij mogen in emissierechten mogelijk.
Dat wil zeggen dat partijen die meer uitstoot verminderen dan ze
verplicht zijn, hun ‘overschot’ kunnen verkopen aan een andere partij.
. Rijke landen krijgen de mogelijkheid te investeren in ‘schone’
energie in armere landen. Nieuwe kolen- of kerncentrales worden
gebouwd in landen als India en China. De rijke landen komen zo in
het buitenland op een goedkope manier van een deel van hun emissieverplichtingen
af.
Terug naar boven
Den
Haag - 2000
De
hooggespannen verwachtingen voor de klimaatconferentie in Den Haag
lopen uit op een teleurstelling. Het lukt de partijen niet de doelstellingen
van 'Kyoto' om te zetten in concrete beslissingen met een verplichtend
karakter. Heet hangijzer is de vraag in hoeverre bossen en landbouwgrond
mogen worden opgevoerd als natuurlijke CO2-eters en hoeveel schone
lucht een land in het buitenland mag kopen.
Vooral de Europese Unie vindt dat er te weinig garanties zijn dat
de reducties die in Kyoto zijn afgesproken ook werkelijk gehaald
kunnen worden. De EU wijst Amerika en Japan als 'dwarsliggers' aan
op dit gebied. Ondanks een compromisvoorstel van voorzitter Pronk
worden de partijen het niet eens en kan er in Den Haag geen akkoord
gesloten worden.
Voorzitter
Pronk krijgt veel lof voor zijn inzet, vasthoudendheid en pogingen
om van de conferentie een succes te maken, maar hij is na afloop
zeer teleurgesteld over de mislukte top. Pronk meent in een reactie
dat de EU-landen te lang gewacht hebben met onderhandelen. De Duitse
minister Trittin van Milieu zou een sleutelrol hebben gespeeld in
het mislukken van de klimaattop doordat hij op het laatste moment
een compromisvoorstel van de Britten heeft tegengehouden.
De milieuorganisaties, die uitvoerig actie hebben gevoerd tijdens
de klimaatconferentie, zijn boos en teleurgesteld over de uitkomst.
Ze wijten de mislukking aan de starre opstelling van de VS, Canada,
Japan en Australië.
Terug naar boven
Bonn - 2001
Wat
velen niet hadden durven dromen, gebeurt in Bonn. Op het allerlaatste
moment rolt er toch een akkoord uit het overleg tussen de 180 deelnemende
landen. Een staande ovatie voor voorzitter Pronk is het resultaat.
Dwarsligger
Japan wordt na moeizame onderhandelingen over de streep getrokken.
Het land weigerde in eerste instantie in te stemmen met de voorgestelde
strafmaatregelen die zouden staan op het niet naleven van het akkoord.
Minister Pronk was echter bereid de tekst op dit punt aan te passen.
Er komen wel straffen, maar geen boetes.
Een land moet voor elke ton CO2 die het te weinig reduceert 0,3
ton extra reduceren. Staatssecrtaris Benschop van Buitenlandse Zaken
die ook op de conferentie aanwezig was vindt dat voldoende straf.
Hij spreekt van een grote dag voor het milieu omdat de 180 landen
op de conferentie unaniem akkoord zijn gegaan met een aantal belangrijke
maatregelen om de uitstoot van koolstofdioxidegassen te verminderen.
Zo zullen er wereldwijd nieuwe bossen worden geplant, er zal een
controlesysteem worden ontwikkeld om de schadelijke gassen te meten
en ieder land moet zich inspannen om energiebesparende maatregelen
te nemen.
Terug
naar boven
|