|
De
naam Ariel Sharon zal wel altijd verbonden blijven met de bloedbaden
die christelijke milities in de Palestijnse vluchtelingenkampen
Sabra en Shatila in Libanon in 1982 aanrichten. Hierbij komen bijna
achthonderd mensen om. Zijn tegenstanders, die Sharon in ruime mate
heeft, stellen hem verantwoordelijk voor het bloedbad.
Zelf erkent hij de verantwoordelijkheid uiteraard niet, maar hij
wordt toch gedwongen om af te treden als minister van Defensie.
Een regeringscommissie, die onderzoek doet naar de slachting, stelt
Sharon indirect verantwoordelijk en oordeelt dat hij meer had kunnen
doen om de bloedbaden te voorkomen. Daarnaast verwijt de commissie
Sharon dat hij de Israëlische militaire invasie in Libanon niet
had mogen uitvoeren zonder voorafgaand overleg met de toenmalige
premier Begin.
De slachting in de Palestijnse kampen is maar één van de vele bloedige
smetten op het blazoen van Sharon. Een van zijn bijnamen luidt dan
ook 'de slachter'. Geboren in 1928 als kind van Russische immigranten
in het Britse mandaatgebied Palestina wordt Sharon op 14-jarige
leeftijd lid van de Haganah, de joodse ondergrondse die strijdt
voor een eigen staat.
'We
vochten niet hard genoeg'
Als leider van een legercommando raakt Sharon tijdens de Israëlische
onafhankelijkheidsoorlog van 1948 ernstig gewond. De basis voor
zijn vastberaden militaire strategie wordt in deze oorlog gelegd:
"We vochten, maar niet hard genoeg om te winnen. We waren meer gemotiveerd
door het verlangen naar huis te gaan dan overtuigd van de absolute
noodzaak om te winnen".
In de jaren die volgen, is Sharon leider van een legereenheid die
vooral vergeldingacties voor Arabische aanvallen op Israël uitvoert.
Bij één zo'n actie komen 69 burgers om. Sharon speelt ook een actieve
rol in de verschillende oorlogen. Zijn commando behaalt spectaculaire
successen in de Suez-crisis en tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967.
In deze laatste oorlog, waarin Israël de Gazastrook, de Westelijke
Jordaanoever en Golanhoogte verovert, treedt Sharon meedogenloos
op tegen de Palestijnen. Het is de eerste keer dat de Palestijnen
kennis maken met de man die zal uitgroeien tot hun gezworen vijand.
Tijdens de Jom Kippoer-oorlog van 1973 legt Sharon zelfs de basis
voor de Israëlische victorie. Hij breekt op eigen initiatief de
wapenstilstand en steekt met zijn troepen het Suez-kanaal over.
Hierdoor wordt het Egyptische leger ingesloten, waarna capitulatie
volgt.
Volgens zijn tegenstanders komen bij deze actie echter onnodig veel
Israëlische soldaten om. Ook de legerleiding is niet erg te spreken
over Sharons eigenzinnige optreden. Desondanks komt hij dat jaar
als oorlogsheld in de Knesset, het Israëlische parlement. Al snel
is hij veiligheidsadviseur van premier Rabin.
Nederzettingen
speerpunten
Vier jaar later laat Sharon als minister van Landbouw in het kabinet-Begin
vele nederzettingen bouwen in de bezette gebieden. Die zijn de speerpunten
van Sharons plannen voor een definitieve Israëlische aanwezigheid
op de Westelijke Jordaanoever.
De nederzettingen groeien in de loop der jaren uit tot een van de
grote strijdpunten in het conflict tussen Israël en de Palestijnen.
Sharons terugtreden als minister van Defensie in 1983 lijkt het
einde in te luiden van zijn politieke carrière. Maar Sharon blijft
een populaire figuur voor rechtse Israëliërs. Al snel is hij terug,
eerst als minister van Handel en Industrie, vanaf 1990 als bewindsman
voor Volkshuisvesting. In deze rol zet hij het nederzettingenbeleid
intensief voort. In het kader hiervan laat Sharon ook huizen van
Palestijnen met bulldozers afbreken. Hieraan dankt hij zijn bijnaam
'de bulldozer'.
Oslo-akkoorden gruwel
Yitzhak Rabin en Shimon Peres zetten bij hun aantreden als premier
en minister van buitenlandse zaken in het begin van de jaren negentig
dit beleid op een laag pitje en begint tot verbijstering van Sharon
vredesonderhandelingen met de Palestijnen. De Oslo-akkoorden van
1993 die daaruit voortvloeien zijn Sharon een ware gruwel.
Hij
verzet zich er hevig tegen en krijgt uiteindelijk het politieke
tij mee doordat de uitvoering van de akkoorden wordt getraineerd
door zowel de Palestijnen als de Israëliërs. Met het aantreden van
Benjamin Netanyahu als premier in 1996 wordt Sharon tot woede van
de Palestijnen minister van Buitenlandse Zaken. Zij moeten plotseling
over vrede gaan praten met de man die hen in hun ogen het liefst
allemaal wil afslachten. Van enige voortgang in de vredesbesprekingen
is halverwege de jaren negentig dan ook geen sprake.
Felle
kritiek uit Sharon ook op het beleid van Ehud Barak, die vanaf 1999
de vredeskoers van de in 1995 vermoorde Rabin voortzet. Sharon,
in 1999 zelf tot leider van de Likud-partij gekozen, bezoekt op
28 september 2000 onder zware politiebegeleiding de Tempelberg om
het Israëlische publiek te waarschuwen voor het ophanden zijnde
akkoord tussen Barak en Yasser Arafat.
Hij rechtvaardigt het bezoek aan de Tempelberg, waar de voor moslims
heilige Koepel van de Rots staat met de opmerking dat hij komt met
een 'boodschap van vrede'. Maar de Palestijnen, die al geweld hebben
aangekondigd als er geen akkoord komt, zien in het bezoek slechts
één ding: een provocatie. De tweede Intifadah is een feit.
'Arafat irrelevant'
Na zijn verkiezing als premier in 2001 piekert Sharon er niet
over vredesbesprekingen met Arafat te houden. Hij noemt Arafat "irrelevant".
Hij denkt er zelfs over om hem uit te wijzen en alleen grote druk
van de Amerikanen weerhoudt hem daarvan.
Intussen treedt Sharon hard op tegen het geweld. Hij laat, voor
het eerst, F16's bombardementen uitvoeren op Palestijnse steden.
Ook stuurt hij het leger met tanks en pantservoertuigen de Palestijnse
steden in. Daarbij komt het in Jenin tot een harde confrontatie.
Een VN-onderzoek, waarvoor Israël aanvankelijk geen toestemming
gaf, concludeert dat bij de gevechten 52 Palestijnen, onder wie
26 burgers, omkomen. Het rapport zegt evenwel niet dat Israël bewust
een slachting heeft aangericht, iets waar de Palestijnen op hadden
gehoopt.
De internationale gemeenschap reageert geschokt op het escalerende
geweld in het Midden-Oosten, zeker als voor het oog van de camera
een Palestijns jongetje in de armen van zijn vader sterft tijdens
een Palestijns-Israëlisch vuurgevecht. Maar Sharon is niet onder
de indruk.
Opnieuw
premier
Hij verwijst elke kritiek op het optreden van het leger door naar
Arafat, die in de ogen van Sharon het 'terrorisme' ondersteunt.
Door zijn consequent harde optreden tegen het aanhoudende zelfmoordaanslagen
van de Palestijnen zien de Israëliërs bij de verkiezingen
van begin 2003 in Sharon de enige die het land kan leiden.
Die wint met zijn Likud-partij dan ook met overmacht. Na zijn stembuszege
begint Sharon, mede onder druk van een dreigende oorlog in Irak,
voorzichtige gesprekken met gematigde Palestijnen.
Verschuiving
Die toenadering lijdt er later toe dat Sharon enkele maanden later
instemt met de creatie van een Palestijnse staat. Dat doet hij mede
onder druk van de Amerikaanse president Bush. Die bemoeit zich na
de oorlog in Irak intensief met het conflict in het Midden-Oosten.
Sharon, de man die altijd pal stond voor Israëls veiligheid,
lijkt zelfs iets van zijn plaats te komen. Zo spreekt hij bij de
aanvaarding van de routekaart, het in april 2003 gepresenteerde
vredesplan, voor het eerst over de Israëlische 'bezetting'
van de Palestijnen. Dat was in het politieke jargon van rechtse
Israëliërs altijd taboe geweest.
Naaste medewerkers melden in die tijd ook dat Sharon zelfs heeft
besloten dat hij de geschiedenis in wil als vredesstichter.
|