|
George W. Bush en het Midden-Oosten |
|
Aan
het begin van zijn presidentschap leek George W. Bush niet van zins
veel tijd en moeite te steken in een oplossing van het conflict in
het Midden-Oosten. Na de eindeloze pogingen van president Clinton
om de Israëliërs en de Palestijnen tot een vergelijk te laten komen,
huldigde Bush ogenschijnlijk het standpunt dat het conflict in het
Midden-Oosten simpelweg onoplosbaar was.
Bush wilde er in ieder geval niet zijn handen aan branden. Bovendien,
zo leek het, was hij de beste vriendjes met de ideologisch verwante
Israëlische havikpremier Sharon. Die zou Bsh nooit onder druk zetten
om een Palestijnse staat te accepteren.
Hoe dingen kunnen veranderen! De ontmoeting van Bush in juni 2003
met Sharon en de eerste Palestijnse premier Abbas luidt het begin
in van de uitvoering van de routekaart die moet leiden tot de stichting
van een onafhankelijke, levensvatbare Palestijnse staat en definitieve
vrede voor de staat Israël. De vraag is hoe het mogelijk is dat de
Amerikaanse president sinds zijn verkiezing in 2000 zo'n enorme draai
heeft gemaakt ten aanzien van het Israëlisch-Palestijnse conflict.
Natuurlijk veranderde 11 september 2001 alles in Bush' gedachten over
het Midden-Oosten en de Israëlisch-Palestijnse conflict. De Verenigde
Staten waren aangevallen door een negentien terroristen uit die regio.
En hoewel Bush de aanslagen voor de buitenwereld uitlegde als aanvallen
op de vrijheid en democratie van de beschaafde wereld, kan het haast
niet anders dan dat op zijn minst een deel van de commentaren, dat
de gruwelijke aanslagen iets te maken hadden gehad met de Amerikaanse
onvoorwaardelijke steun voor Israël, is doorgedrongen in het Witte
Huis.
Strijd tegen terreur
In de 'Strijd tegen terreur' die op de aanslagen volgde, werd ook
de Palestijnse leider Arafat, als zijnde terrorist, tot persona non
grata erklaard. Maar Amerikaanse functionarissen hebben in The Washington
Post gezegd dat Bush al vóór '11/9' had geconcludeerd dat met Arafat
als leider van de Palestijnen geen vrede zou worden bereikt in het
Midden-Oosten. Volgens de medewerkers beschouwt Bush Arafat zelfs
als een leugenaar en een zwak leider.
Mede
daarom riep de Amerikaanse president in een toespraak in juni 2002
op tot nieuw Palestijns leiderschap. Hij doelde daarmee vooral op
het terzijde schuiven van Arafat. Nieuw leiderschap in Ramallah zou
in de ogen van Bush in Israël voldoende draagvlak scheppen voor aanvaarding
van een Palestijnse staat. Zou een Israëlische regering zo'n nieuwe
buur niet accepteren, dan zou die vanzelf vervangen worden door eentje
die dat wel zou doen, zo redeneerde Bush volgens de functionarissen.
Daardoor is Bush' steun aan Sharon minder onvoorwaardelijk dan velen
wellicht denken. De persoonlijke relatie tussen Bush en de Israëlische
premier is op z'n minst complex, stellen Amerikaanse functionarissen.
Zo betwijfelt de president of Sharon daadwerkelijk vrede wil bereiken.
Bush zou de Israëlische leider in ieder geval nooit over een vredesvisie
hebben gehoord.
Anderzijds heeft het Witte Huis tijdens de ontwikkeling van de eigen
vredesplannen voor het Midden-Oosten werden ontwikkeld na de aanslagen
van 11 september ervoor gewaakt Sharon uitvoerig te raadplegen. Sharons
uitspraken over de "diepe vriendschap en de speciale band" tussen
de VS en Israël, die hij deed tijdens zijn herverkiezingscampagne
van begin 2003, werden in het Witte Huis dan ook met gefronste wenkbrauwen
aangehoord.
'Man van vrede'
Weliswaar noemde Bush in 2002 Sharon nog 'een man van vrede'. Maar
die boodschap was vooral bedoeld voor de buitenwereld. Toen de Israëlische
leider er in een privé-gesprek aan toevoegde dat hij naast een man
van vrede er ook één van veiligheid was, onderbrak Bush hem geïrriteerd.
"Ik weet dat je een man van veiligheid bent", zo antwoordde Bush,
"maar ik wil dat je harder werkt aan dat vredesdeel". Tijdens het
gesprek maakte Bush Sharon ook duidelijk dat zijn 'man van vrede'-uitspraak
hem op een woedende lawine uit de Arabische wereld was komen te staan.
Onduidelijk is wanneer bovenstaand gesprek precies heeft plaatsgevonden,
maar de Israëlische premier heeft sindsdien een aantal opmerkelijke
uitspraken gedaan. Zo waarschuwde hij in de herfst van 2002 dat Israël
'pijnlijke concessies' te wachten staan. In mei en juni van het jaar
daarop nam hij voor het eerst het woord 'bezetting' in de mond om
de Israëlische militaire aanwezigheid in de Palestijnse gebieden aan
te duiden. Dat was in het politieke jargon van rechts Israël altijd
taboe geweest.
Ook zei hij dat de 'onderdrukking' van het Palestijnse volk niet goed
is voor Israël. Ten slotte kondigde Sharon zelfs de ontmanteling aan
van een aantal, vooralsnog illegale, nederzettingen. Dat laatste moet
voor Sharon zelf pijnlijk zijn geweest. Als minister van Huisvesting
heeft hij in de jaren zeventig immers het nederzettingenbeleid opgezet.
Het moet nog worden afgewacht of al deze uitspraken zijsprongen zijn
om het vredesproces te vertragen of echte stappen voorwaarts. Zou
de grote cynicus, die zich nooit iets aantrok van wat de wereld van
hem dacht, echt vrede willen? Sharons medewerkers hebben in het voorjaar
van 2003 in ieder geval gezegd dat hun chef in de geschiedenisboeken
wil worden opgenomen. Duidelijk is dat Sharon onder invloed van Bush
is gaan schuiven.
Herverkiezing
Blijft over de vraag waarom Bush zijn eigen herverkiezing in november
2004 op het spel zet door zich zo aan de Israëlisch-Palestijnse conflict
te binden. Hij heeft vooral veel te verliezen. Christelijk-rechts,
een wezenlijk deel van zijn aanhang, is al een lobby in Washington
gestart om de routekaart te saboteren. De joodse kiezers in Florida,
ook in 2004 één van de key states, staan evenmin te juichen bij het
idee van een Palestijnse staat naast Israël.
En juist tijdens de campagne van volgend jaar staan de belangrijkste
kwesties op de agenda: de grenzen van de Palestijnse staat, de status
van Jeruzalem, de Palestijnse vluchtelingen en de nederzettingen.
Als het dan misgaat, kan Bush, net als zijn vader, vrede in het Midden-Oosten
niet presenteren aan het Amerikaanse volk. |
|
|