|
Tweede
Intifadah
Na het mislukken van vredesbesprekingen tussen de Israëlische premier
Barak en de Palestijnse leider Arafat in de zomer van 2000 in het
Amerikaanse Camp David breekt een nieuwe Palestijnse opstand in
de bezette gebieden uit.
Die wordt al snel de tweede Intifadah genoemd en overtreft de eerste
in intensiteit en aantallen doden ruimschoots. De wereld kijkt verbijsterd
toe hoe het bloedige wederzijdse geweld escaleert naar een bijna-oorlog.
28 september 2000
In de loop van de zomer wordt steeds duidelijker hoe ver de Israëlische
premier Barak wil gaan om vrede met de Palestijnen te bereiken.
Op 28 september laat hij het dagblad The Jerusalem Post weten bereid
te zijn Jeruzalem als hoofdstad te delen met de Palestijnen. Ook
steunt hij een plan om de Tempelberg onder VN-bestuur te plaatsen.
Hoewel de besprekingen met Arafat mislukken, ontstaat in Israël
grote beroering over Baraks vredesplannen.
Ze zijn voor oppositieleider Sharon van de Likud-partij reden om
de Tempelberg te bezoeken. Hiermee wil hij de Israëlische soevereiniteit
over de joodse heilige plaats onderstrepen. Het bezoek is de spreekwoordelijke
lont in het kruitvat. Sharon zegt met een "boodschap van vrede"
te komen, maar hij wordt begeleid door honderden agenten.
Er breken gevechten uit met Palestijnen in de buurt van de Al Aqsa-moskee.
Zij beschouwen Sharons aanwezigheid in de buurt van de heilige islamitische
Koepel van de Rots en de Al Aqsa-moskee als een provocatie. Sharon
is in de ogen van de Palestijnen immers nog altijd verantwoordelijk
voor de bloedbaden in de vluchtelingenkampen in Sabra en Shatila
in 1982.
Een dag later komt het opnieuw tot ongeregeldheden bij de Tempelberg
na het vrijdagsgebed in de Al Aqsa-moskee. Er vallen zeven Palestijnse
doden bij ernstige rellen in de oude stad van Jeruzalem. Tweehonderd
Palestijnen en dertig Israëliërs raken gewond. Terwijl de VS het
bezoek van Sharon aan de Tempelberg veroordeelt, slaat het geweld
over naar de bezette gebieden. In de weken en maanden die volgen
vallen vele doden. Niemand lijkt nog enige grip te hebben op de
gewelddadigheden.
Rapport-Mitchell
De Amerikaanse oud-senator George Mitchell komt een half jaar later
met een rapport over de oorzaken van de gewelddadigheden, die al
de tweede of Al Aqsa-Intifadah worden genoemd. Hij wijst geen schuldige
aan voor het opgelaaide geweld. Wel vindt hij dat Sharon de Tempelberg
op een ongelukkig tijdstip bezocht.
Mitchell adviseert de bouw van de nederzettingen in de bezette gebieden
onmiddellijk te staken. Sharon verklaart dat dat niet gaat omdat
de nederzettingen "van wezenlijk nationaal belang" zijn. De Palestijnen
reageren voorzichtig positief op het rapport.
In het halve jaar tussen Sharons bezoek aan de Tempelberg en de
presentatie van het Mitchell-rapport heeft de wereld dan al met
afgrijzen toegekeken hoe het geweld in het Midden-Oosten volledig
uit de hand loopt. Vrijwel dagelijks vallen er slachtoffers aan
beide zijden. Waarnemers vergelijken het geweld met een oorlog.
Op 18 mei 2001 krijgt Sharon, die enkele maanden eerder premier
is geworden, zware nationale en internationale kritiek te verduren
als hij voor het eerst F-16's inzet bij een vergeldingsactie voor
een zelfmoordaanslag in Netanya. Vier dagen later besluit de Israëlische
regering tot een eenzijdig staakt-het-vuren. De Israëlische regering
houdt hieraan vast, zelfs nadat op 1 juni in een club in Tel Aviv
twintig mensen zijn omgekomen en tientallen gewond zijn geraakt.
Na deze aanslag volgt een periode van relatieve rust, waarin de
Amerikanen trachten te bemiddelen. In Washington laat Sharon president
Bush weten dat hij niet bereid is te onderhandelen totdat het geweld
helemaal is gestopt. Maar dat zit er niet in.
Eind juli is duidelijk dat het wankele bestand dat sinds mei van
kracht was, niets heeft opgeleverd. Begin augustus vindt er weer
een zware aanslag plaats op een pizzeria in Jeruzalem. Israël beschiet
hierop het politiebureau in Ramallah en sluit het Palestijnse Orient
House in Jeruzalem.
Palestijnse
staat
Na de terreuraanslagen van 11 september 2001 komen beide partijen
onder grote druk te staan van de Verenigde Staten om het geweld
te staken. Half september kondigen Arafat en Sharon een bestand
af, dat nauwelijks twee weken standhoudt.
Op 2 oktober spreekt president Bush zich uit voor een Palestijnse
staat. Twee weken later doen de Engelse en Nederlandse premiers
hetzelfde. In de herfst verhardt de strijd na de moord op de ultra-rechtse
minister Ze'evi.
Op 3 december treft Israël voor het eerst het hoofdkantoor van Arafat.
Volgens woordvoerder is de aanval bedoeld om Arafat duidelijk te
maken dat hij moet optreden tegen de Palestijnse aanslagen. Twee
weken later roept Arafat via televisie tevergeefs op alle aanvallen
op Israël te staken. De aanvallen gaan gewoon door. Op 17 januari
staan de Israëlische tanks voor de deuren van Arafat hoofdkantoor
in Ramallah.
Hoewel een vredesplan van de Saudische kroonprins Abdallah door
de VS, de EU en de meeste Arabische landen wordt verwelkomd, escaleert
het geweld in het voorjaar van 2002 steeds verder. Begin maart 2002
komen in enkele zeer bloedige dagen tijd 101 Palestijnen en 33 Israëliërs
om. Half maart neemt de Veiligheidsraad een resolutie aan waarin
voor het eerst wordt gesproken over de staat Palestina.
Bush
wil vertrek Arafat
Op 2 april valt het Israëlische leger een vluchtelingenkamp bij
Jenin op de Westelijke Jordaanoever binnen. Er vinden zware gevechten
plaats, waarbij aan beide zijden veel doden vallen.
Een VN-rapport dat in augustus na zware tegenwerking van Israël
tot stand komt, concludeert dat er geen massaslachting heeft plaatsgevonden.
Intussen is Israël begonnen met de bouw van een omstreden muur langs
de noordelijke grens van de Westelijke Jordaanoever.
Tussen de Palestijnse aanslagen en Israëlische represailles vinden
er de nodige politieke ontwikkelingen plaats. Het kabinet van Sharon
komt in moeilijkheden na het opstappen van enkele ministers. Arafat
tekent een basiswet voor een Palestijnse grondwet die al vijf jaar
op de plank lag. Hiermee komt hij tegemoet aan Amerikaanse eisen
voor steun aan een Palestijnse staat.
In
een toespraak op 24 juni spreekt de Amerikaanse president Bush voor
het eerst over een Palestijnse staat. De Verenigde Staten willen
die steunen op voorwaarde dat het dagelijks bestuur wordt 'hervormd'.
Hiermee schaart Bush, sinds de aanslagen van 11 september bezig
met zijn wereldwijde 'War on Terrorism', zich onomwonden achter
Ariel Sharon. De Israëlische premier, die sowieso al weinig druk
ondervindt van de Amerikanen om het geweld tegen de Palestijnen
in te tomen, heeft al eerder gezegd niet met "de terrorist" Arafat
te willen onderhandelen.
De Palestijnse leider gaat niet in op de eis van de Amerikaanse
president, maar kondigt wel presidents- en parlementsverkiezingen
aan voor begin 2003. Op de dag dat Israël zware aanvallen uitvoert
op Gaza-stad, 22 juli, zegt de EU dat een Palestijnse staat er uiterlijk
in juli 2005 moet zijn.
Intussen verklaart een Belgische rechtbank een aanklacht tegen Sharon
niet ontvankelijk. Op grond van de Belgische genocidewet hebben
nabestaanden van de bloedbaden in de Palestijnse vluchtelingenkampen
Sabra en Shatila de Israëlische premier gedaagd. De nabestaanden
houden Sharon, destijds minister van Defensie, verantwoordelijk
voor de bloedbaden.
Tweede
verjaardag
Op 28 september 2002 gaan tienduizenden Palestijnen de straat op
om het begin van de Tweede Intifadah te herdenken. Yasser Arafat
spreekt vanuit zijn weer eens belegerde hoofdkantoor in Ramallah
zijn volk toe. Hij belooft een Palestijnse staat met als hoofdstad
Jeruzalem. Bij de herdenking vallen enkele doden.
In de herfst neemt het wederzijdse geweld iets af. Er klinken weer
voorzichtige oproepen tot een staakt-het-vuren. De al-Aqsa Martelaren
Brigades zijn bereid te stoppen met het geweld als Israël zich terugtrekt
uit de Westoever, Arafat verklaart plechtig Israël de olijftak te
willen aanreiken, en Sharon zegt mogelijkheden voor vrede te zien
nadat de Palestijnse minister van Binnenlandse Zaken heeft geconcludeerd
dat geweld tegen Israël niet heeft gewerkt.
In Israël breekt eind oktober een kabinetscrisis uit nadat de Arbeidspartij
van Benjamin Ben-Eliezer uit de regering van nationale eenheid stapt.
Een lijmpoging door Sharon mislukt, zodat er nieuwe parlementsverkiezingen
worden uitgeschreven voor 28 januari 2003.
Het laten vallen van de regering komt Ben-Eliezer duur te staan.
Hij wordt na verkiezingen verslagen als leider van de Arbeidspartij
door de duif Amram Mitzna. Sharon blijft ten koste van Benjamin
Netanyahu aan als Likud-leider. De Palestijnse verkiezingen van
20 januari worden uitgesteld omdat die volgens de kiescommissie
niet gehouden kunnen worden zolang Israël in de bezette gebieden
aanwezig is.
Verkiezingen
in Israël
Bij een zware aanslag in Tel Aviv op 5 januari 2003 komen 22 Israëliërs
om. Likud wint met overmacht de Israëlische verkiezingen. Hierdoor
kan Ariel Sharon aanblijven als premier. De Arbeidspartij, die aan
de wieg heeft gestaan van de staat Israël, lijdt het grootste verlies
uit haar geschiedenis.
Begin 2003 lijkt de tweede Intifadah qua intensiteit wat te zijn
geluwd. Na tweeënhalf jaar wederzijds geweld zijn ruim achttienhonderd
Palestijnen en zevenhonderd Israëliërs omgekomen.
Na de verkiezingen lijkt Sharon een wat mildere koers te varen.
Begin februari heeft hij geheime besprekingen met gematigde Palestijnen.
Ondertussen voert het 'kwartet' de druk op de beide partijen op.
Dit 'kwartet', bestaande uit de Verenigde Staten, de Verenidge Naties,
de Europese Unie en Rusland, heeft een 'routekaart' opgesteld voor
alomvattende vrede in het Midden-Oosten en wil rust in Israël en
de Palestijnse gebieden in verband met een dreigende oorlog tegen
Irak.
<< Oslo-akkoorden
|