|
De
Conventie heeft in het ontwerpverdrag een serie voorstellen opgenomen
waarmee de EU na de uitbreiding efficiënt kan blijven functioneren.
Ook na de mislukte EU-top in Brussel afgelopen december blijft de
tekst uitgangspunt van de onderhandelingen over een nieuwe grondwet.
De conceptgrondwet bestaat uit drie delen. In het eerste deel worden
de bevoegdheden en de samenstelling van de verschillende instellingen,
de stemverhouding en de democratische controle geregeld. In deel
twee is het handvest van de grondrechten van de Unie vastgelegd.
Daarin staan alle grondrechten van burgers van de EU. Deel drie
bevat algemene en slotbepalingen.
Hieronder de belangrijkste afspraken die in de conceptgrondwet zijn
opgenomen:
Een Europese 'president'
Een Europese minister van Buitenlandse Zaken
De Europese Commissie
Besluitvorming
Identiteit
Een 'Europese president'
Volgens het conceptvoorstel van de Conventie kiest de Europese
Raad, waarin de leiders van alle lidstaten zitting hebben, voor
2,5 jaar een president of voorzitter van die raad. Deze topfunctionaris,
waarschijnlijk een voormalig premier of president van een van de
lidstaten, moet EU-topontmoetingen voorzitten, en de Unie internationaal
vertegenwoordigen. Hij of zij zou het huidige roulerende voorzitterschap
vervangen. Nu gaat het voorzitterschap van de unie nog ieder halfjaar
bij toerbeurt naar een van de lidstaten.
Tegen
de Europese president bestond veel verzet, niet alleen van eurosceptici
die een Europese superstaat met alle macht in Brussel vrezen, maar
ook van de kleine lidstaten (waaronder Nederland) en de aspirant-lidstaten
die bang zijn dat de grote landen in de Unie straks alle beslissingen
nemen.
Met de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker als officieuze leider
voerden de 'kleintjes' de afgelopen maanden campagne tegen de president.
Met succes, want het voorstel van Giscard d'Estaing voor een machtige
president met eigen staf is afgezwakt tot een president met een
meer ceremoniële functie, een compromis waar de meeste kleine landen
mee kunnen leven.
Volgens het ontwerpverdrag wordt de voorzitter nu iemand die samen
met de Commissievoorzitter het lange termijnbeleid van de EU uitzet.
Hij krijgt geen eigen staf en mag bij internationaal optreden noch
de Commissie, noch de Europese minister van Buitenlandse zaklen
voor de voeten lopen.
Terug naar boven
Een Europese minister van Buitenlandse
Zaken
De Conventie pleit ook voor benoeming van een Europese minister
van Buitenlandse Zaken. Die nieuwe minister zou de functies van
de huidige Europees commissaris voor Buitenlandse Zaken (Chris Patten)
en die van het hoofd buitenlands beleid (Javier Solana) met elkaar
moeten combineren en deel uitmaken van de Europese Commissie.
Volgens het voorstel moet de nieuwe minister het fiat van het Europees
Parlement krijgen, net zoals de rest van de Europese Commissie.
Tegelijkertijd zou hij of zij vooral verantwoording schuldig zijn
aan de regeringen van de lidstaten.
Volgens de Grondwet houden de lidstaten wel vetorecht op het buitenlandbeleid
van de Unie. Dat is een tegenvaller voor de voorvechters van een
verenigd Europa, maar volgens Giscard d'Estaing is de EU er nog
niet toe. Dat bleek tijdens de oorlog in Irak, waarover de lidstaten
sterk verdeeld waren.
Terug naar boven
De Europese Commissie
Op
dit moment heeft de Europese Commissie twintig leden. De kleine
lidstaten hebben één commissaris, de grote hebben er twee. De uitbreiding
van de Europese Unie met tien lidstaten volgend jaar zou betekenen
dat de commissie straks 25 leden telt.
Om ervoor te zorgen dat de Commissie een gestroomlijnd bestuursorgaan
blijft, moet er volgens de Conventie vanaf 2009 een dagelijks bestuur
komen van vijftien leden (onder wie de voorzitter van de commissie
en de nieuwe Europese minister van Buitenlandse Zaken). De overige
tien commissieleden zouden geen stemrecht krijgen. Landen die de
ene keer een commissaris zonder stemrecht leveren, krijgen in de
volgende samenstelling een 'echt' lid.
Vooral de kleinere landen, waaronder Nederland, hebben grote moeite
met dit voorstel. Zij vrezen dat ze hun macht in de EU zal afnemen,
als ze niet langer een 'eigen' stem hebben in het dagelijkse bestuur
van de Unie.
Terug naar boven
Besluitvorming
Op sommige beleidsterreinen hebben de lidstaten een vetorecht.
De Conventie wil dat op 22 beleidsterreinen afschaffen. Onder andere
over Justitie, Binnenlandse Zaken, energie, transport, sociaal beleid
en asielbeleid moet straks volgens meerderheid van stemmen worden
beslist.
Groot-Brittannië was niet gelukkig met de afschaffing van het vetorecht
op sommige terreinen als fiscaal, sociaal en buitenlands beleid.
Op die terreinen blijft het vetorecht geldig. Ook voor de Europese
begroting blijft voorlopig unanimiteit vereist.
Nederland
is tegen het voorstel om het vetorecht bij besluiten over justitiezaken
af te schaffen. Als de lidstaten daarover bij meerderheid gaan beslissen,
kan dat het einde betekenen voor het Nederlandse coffeeshopbeleid.
Ook de euthanasie- en prostitutiewetgeving zou dan in gedrang komen.
Tot nog toe was het verzet van Nederland echter tevergeefs.
Voor meerderheidsbesluiten zou vanaf 2009 de goedkeuring van de
helft van de lidstaten nodig zijn, die zeker zestig procent (drievijfde)
van het totale aantal inwoners van de EU vertegenwoordigen. In bijzondere
gevallen is een meerderheid van tweederde van de lidstaten vereist
die drievijfde van de bevolking vertegenwoordigt.
Nu wordt er in de Europese Raad gestemd volgens een stemverhouding
die in het Verdrag van Nice is vastgesteld. Die geeft landen als
Spanje en Polen bijna evenveel stemmen als zwaargewichten Duitsland
en Frankrijk. Spanje en Polen zijn om die reden fel gekant tegen
veranderingen. De kwestie bleek het belangrijkste struikelblok op
de mislukte EU-top over de grondwet, afgelopen december.
Terug naar boven
Identiteit
In het oorspronkelijke 'geraamte' van de grondwet, zoals voorgesteld
door Giscard, werden ook een aantal voorstellen gedaan om de naam
van de Europese Unie te veranderen. Een van de voorgestelde namen
was 'Verenigde Staten van Europa'.
Nergens
kreeg de namendiscussie veel aandacht, alleen in Groot-Brittannië
barstte meteen een heftig publiek debat los. Voor veel Britten ligt
iedere associatie met de Verenigde Staten van Amerika erg gevoelig,
en het idee van een Europese bondsstaat naar Amerikaans model al
helemaal. Mede daarom besloot de Conventie de naam 'Europese Unie'
niet te veranderen.
Een tweede gevoelig punt was de vraag of er enige vermelding van
een christelijke grondslag in de grondwet moest komen. Een aantal
landen, aangespoord door het Vaticaan, pleitte voor een verwijzing
naar God of het christendom in de inleiding van de Constitutie.
Dat is er uiteindelijk niet van gekomen.
Terug naar boven
|