Wat is doping eigenlijk? De Van Dale leert ons dat we onder doping
moeten verstaan 'het toedienen van stimulerende middelen die de sportprestaties
oneerlijk beïnvloeden.' Hoewel deze definitie op het eerste gezicht
eenduidig is, roept zij een aantal vragen op. De meest voor de hand
liggende is natuurlijk: welke stimulerende middelen zijn dat dan?
Voor
een uitputtend antwoord op deze vraag schrikt zelfs een apotheker
terug. De complete dopinglijst die het het Wereld Anti Doping Agentschap
(WADA) van het Internationaal Olympische Comité opstelde geeft
een schier eindeloze opsomming van stoffen en preparaten. Een samenvatting
is op zijn plaats.
Bij doping gaan onze gedachten in de eerste plaats uit naar THG, nandrolon
en epo, de middelen die we veelvuldig op de sportpagina's tegenkomen.
Om deze stoffen in hun juiste context te plaatsen, dient eerst duidelijk
gemaakt te worden hoe 'de lijst van verboden groepen van stoffen en
verboden methoden' van het IOC is samengesteld. Het WADA onderscheidt
op de dopinglijst drie categorieën, die ieder weer onderverdeeld zijn
in groepen.
De belangrijkste categorie is die van de verboden groepen van stoffen,
bestaand uit vijf groepen: A. Stimulantia, B. Narcotische analgetica,
C. Anabole middelen, D. Diuretica, E: Peptide hormonen, mimetica en
analoga, F. Stoffen met een anti-oestrogene werking, G. Maskerende
middelen.
Categorie I: verboden stoffen
Onder
stimulantia vallen onder andere amfetaminen, cocaïne, coffeïne en
efedrine. Sommige middelen zijn niet geheel verboden. Zo mag de urine
een beperkte hoeveelheid coffeïne bevatten, maar na drie koppen koffie
kan die grens al bereikt zijn. Efedrine komt vaak voor in neusdruppels
en hoestdranken. Het gebruik daarvan moet vooraf bij de dopingcontroleurs
gemeld worden.
Een aantal middelen zijn toegestaan, mits geïnhaleerd. Amfetaminen
zijn vooral bij duursporters populair. Bijwerkingen zijn rusteloosheid,
hoofdpijn, duizeligheid, hartkloppingen en een verhoogde bloeddruk.
Narcotische analgetica, de officiële benaming van pijnstillers, stellen
de sporter in staat beter 'af te zien'. Morfine, heroïne en methadon
vallen onder deze groep. Codeïne, zeer effectief tegen het hoesten,
was jarenlang verboden, maar is nu weer toegestaan. Vaak optredende
klachten bij gebruik zijn misselijkheid, ademhalingsmoeilijkheden
en obstipatie.
Anabole
steroïden zijn afgeleid van het mannelijk geslachtshormoon testosteron
en vergroten de spiermassa. Daarom worden zij gebruikt bij kracht-
en vechtsporten en bij duursporten waarbij kracht een vereiste is,
zoals roeien. De stoffen kunnen oraal worden ingenomen of door middel
van een injectie. Het gebruik van anabole steroïden is bijzonder
gevaarlijk en kan zelfs tot de dood leiden.
Een aantal typisch mannelijke bijwerkingen zijn impotentie, prostaatkanker,
borstvorming, en kaalheid. Vrouwen riskeren mentruatiestoornissen,
borstverkleining, stemverlaging, kaalheid en mannelijke beharing.
Voor beide seksen geldt het risico van onvruchtbaarheid, psychische
afwijkingen, suikerziekte, hoge bloeddruk en leverfunctiestoornissen.
Diuretica zijn plaspillen en worden gebruikt om snel gewicht
te verliezen. Ze worden geslikt door kracht- en vechtsporters die
in een lagere gewichtsklasse meer kans denken te maken op medailles.
Bodybuilders gebruiken diuretica omdat bij groot vochtverlies de spiergroepen
duidelijker zichtbaar worden. Ten slotte hopen sporters die andere
verboden middelen hebben 'gepakt' door een verhoogde urineproductie
de concentratie van die stoffen te verlagen en zo door de dopingcontrole
te komen. Het gebruik van diuretica kan leiden tot hartritmestoornissen,
uitdroging, oververhitting, verzuring van de spieren, spierkrampen
en duizeligheid.
Peptide
hormonen en verwante stoffen stimuleren lichaamseigen hormonen zoals
steroïden en testosteron. Een aantal stoffen (HCG en LH) zijn
alleen bij mannen verboden. Groeihormoon (GH) bevordert tot de puberteit
de lichaamsgroei. Sporters willen met GH de spiermassa verder opbouwen
maar riskeren hiermee enorme gezondheidsproblemen.
Andere bekende middelen die onder deze subgroep vallen zijn EPO (Erytropoëtine),
dat het aantal rode bloedcellen verhoogt, en insuline. Dat laatste
middel is uiteraard wel toegestaan voor suikerpatiënten. Het
gebruik van GH kan hart- en vaatziekten, suikerziekte, spierzwakte
en gewrichtsaandoeningen tot gevolg hebben. Met EPO riskeert de sporter
een hoge bloeddruk, longembolie, hart- en herseninfarct, stuipen en
trombose.
Stoffen met een anti-oestrogene werking worden geslikt door mannelijke
sporters die anabolen gebruiken. Het lichaam reageert op de veranderde
hormoonspiegel - veroorzaakt door de toename van testosteron - en
herstelt dit door extra vrouwelijk hormoon aan te maken. Anti-oestrogene
middelen moeten de vrouwelijke kenmerken die daar het gevolg van zijn
tegengaan. Zo worden de uiterlijke kenmerken die op doping wijzen
in ieder geval weggenomen.
De laatste groep in deze categorie vormen de maskerende middelen.
Dit zijn producten die mogelijk de uitscheiding van verboden stoffen
verhinderen of hun aanwezigheid maskeert in urine of andere monsters
die gebruikt worden bij dopingcontroles.
Categorie
II: verboden methoden
De bekendste verboden methode om de sportprestaties te bevorderen
is bloeddoping. Daaronder wordt verstaan het toedienen van bloed,
rode bloedcellen of verwante bloedproducten. Daarbij is het bloed
vaak in een eerder stadium afgetapt. Als de atleet, die in de 'bloedarme'
staat doortraint, de rode bloedlichaampjes dan weer toegediend krijgt,
kan meer zuurstof naar de spieren worden gebracht. Een voorbeeld van
een atleet die in de jaren zeventig en tachtig veel profijt heeft
gehad van bloeddoping is de Finse lange-afstandsloper Lasse Viren.
Een andere voor de hand liggende verboden methode is die van de farmacologische,
chemische en fysieke manipulatie. In gewoon Nederlands: het in de
maling nemen van de controleurs. Daarbij moet gedacht worden aan het
afgeven van oude of andermans urine bij de dopingcontrole of het toevoegen
van maskerende stoffen aan de afgegeven urine. Zo zou de Ierse zwemster
Michelle Smith haar plasje met alcohol besprenkeld hebben, waardoor
het urinemonster onbruikbaar werd.
De laatste verboden middel is genetische doping, ook wel celdoping
genoemd. Tot dusverre zijn er nog geen gevallen van een genetisch
verbeterde atleten bekend, maar gezien de stromachtige ontwikkelingen
in de genetica valt dit voor de toekomst niet uit te sluiten.
Categorie III: middelen die onder bepaalde omstandigheden verboden
zijn
Hierbij
gaat het vooral om alcohol, marihuana en hasj en bètablokkers.
Deze middelen zijn in een aparte categorie gerangschikt omdat zij
niet door alle sportorganisaties verboden zijn. Mits gebruikt in kleine
hoeveelheden vermindert alcohol het trillen van de handen. Ook helpt
het de sporter zich te ontspannen en doet het zijn zelfvertrouwen
groeien. Met name bij biljarten, snooker, darts en schietsporten kan
dat goed van pas komen. Te veel alcohol leidt op korte termijn tot
afname van het beoordelingsvermogen en de oog-hand-coördinatie
en tot evenwichtsstoornissen. Op de lange termijn treden leverkwalen
op.
Ook het roken van een joint kan ontspannend werken. Voor cannabis
geldt echter dat het de stemming waarin iemand verkeert, versterkt.
In die zin kan het effect contra-productief zijn. Een biljarter die
zich onzeker voelt, zal juist nadeel ondervinden van marihuana of
hasj omdat zijn onzekerheid alleen maar toe zal nemen. Andere nadelige
effecten zijn hoge bloedruk, verminderd reactievermogen, concentratieverlies
en een stijging van de hartslag.
Bètablokkers
zijn geneesmiddelen tegen hoge bloeddruk, pijn op de borst, migraine
en hartritme-stoornissen. Ze worden geslikt in takken van sport als
schieten, moderne vijfkamp, duiken, bobsleeën en motorracen om
het trillen van de handen tegen te gaan en de hartslag gelijkmatig
te houden. In de meeste takken van sport beïnvloeden ze de prestatie
echter juist nadelig. |
|
|