Over caucusses en primaries


Het complexe proces van het kiezen van een nieuwe Amerikaanse president verloopt via meervoudig getrapte verkiezingen. Van de eerste caucus-bijeenkomst in Iowa en de voorverkiezing in New Hampshire tot en met de algemene, nationale verkiezingen in november: de Amerikanen kiezen afgevaardigden, gedelegeerden en kiesmannen die op hogere niveau's, van de partijconventie van een staat tot het federale kiescollege, een stem uitbrengen op een kandidaat.

Registratie
Voor elke Amerikaan begint het kiezen van een nieuwe president met een registratie als kiezer. Amerikanen moeten zich registreren om te kunnen stemmen bij de presidentsverkiezingen. Bij de registratie kunnen zij aangeven of zij zich als Republikein, Democraat of als onafhankelijk willen inschrijven. Registratie als Republikein of Democraat geeft het recht om mee te doen aan de 'gesloten' voorverkiezingen van de eigen partij. Sommige voorverkiezingen staan echter ook 'open' voor alle geregistreerde kiezers.

Primary season (voorverkiezingenseizoen)
Vanaf januari in het verkiezingsjaar start per staat het nominatieproces van de beide grote partijen. Dat moet voor beide partijen een kandidaat opleveren die wordt aangewezen op de respectievelijke nationale conventies in de zomer. Elke staat stuurt een aantal afgevaardigden naar de conventie. De kandidaat met de meeste afgevaardigen uit de staten krijgt (meestal) de nominatie. Bij de Republikeinse kandidaat staat al vast: George W. Bush gaat op voor een tweede termijn.

Het aantal afgevaardigden dat een staat naar de conventie stuurt, is afhankelijk van de bevolkingsomvang. Staten kiezen hun afgevaardigden op twee manieren: via een zogeheten caucus of via een primary (voorverkiezing). De meeste staten houden primaries.

Caucus (besloten verkiezingsbijeenkomst)
Een caucus is een vorm van directe democratie. Mensen die invloed willen uitoefenen op de nominatie komen naar een bepaalde lokatie, een postkantoor, een school, soms zelfs de woning van een partijgenoot, om te debatteren en vervolgens een stem uit te brengen op een kandidaat. De stemming vindt vaak plaats via handopsteken of via het plaatsnemen in de hoek van een bepaalde kandidaat. De optelsom van deze, wat informeel aandoende, verkiezingen is bepalend voor de uitslag van een staat. In sommige staten gaat dat volgens het principe winner takes all, andere staten hanteren een proportionele afvaardiging of een vertegenwoordiging per district van de staat.

Primary (voorverkiezing)
De meeste staten houden voorverkiezingen om te bepalen wie zij als presidentskandidaat nomineren. Voorverkiezingen zijn, anders dan caucussen, traditionele verkiezingen in een stemlokaal, met een stembiljet en een stembus. Net als bij een caucus worden bij voorverkiezingen afgevaardigden gekozen die de staat namens de Democratische of Republikeinse partij vertegenwoordigen op de respectievelijke nationale conventies. In sommige staten krijgt de winnaar alle afgevaardigden, andere staten sturen een proportionele vertegenwoordiging naar de conventies of een vertegenwoordiging per district.

Nationale conventies
Op de nationale partijconventies van de beide partijen, die meestal in juli en augustus plaatsvinden, zijn de duizenden afgevaardigen gehouden aan het mandaat dat zij gekregen hebben in de caucussen of primaries. Dat geldt echter alleen in de eerste ronde. Mocht die geen meerderheidskandidaat opleveren, dan mogen de afgevaardigden naar eigen inzicht stemmen. Maar zo'n situatie heeft zich al lang niet meer voorgedaan. In de negentiende eeuw waren meer dan honderd stemronden niet ongebruikelijk om een meerderheidskandidaat te kiezen.

Tegenwoordig is de kandidaat meestal al in maart na Super Tuesday (als in tien staten voorverkiezingen worden gehouden) al wel bekend en zijn partijconventies vooral gigantische mediaspektakels. Die moeten het televisiekijkend publiek duidelijk maken dat de partijverdeeldheid uit het nominatieproces voorbij is en dat iedereen de presidentskandidaat enthousiast steunt.

Landelijke campagne
Nadat de kandidaten op de partijconventies hun nominatie officieel hebben aanvaard, presenteren zij zich in een grote landelijke campagne aan het Amerikaanse volk. Zij doen dat onder meer via geldverslindende tv-spotjes en door het land vele malen te doorkruisen. Daarbij doen de kandidaten vooral de staten aan waar het er om zal spannen, de zogeheten 'swingstates'. Aan geheid Democratische of Republikeinse staten besteden de kandidaten minder aandacht. Een minstens zo belangrijk onderdeel van de campagne is het zwart maken van de tegenstander ('sleaze'). Beide kandidaten schilderen elkaar daarbij af als niet-vaderlandslievend, gewetenloos, gevaarlijk radicaal, racistisch, 'soft on crime' of niet godvruchtig genoeg.

Election Day
Op de eerste dinsdag na de eerste maandag van november in jaren die deelbaar zijn voor vier, kiezen de Amerikanen hun nieuwe president. Maar niet rechtstreeks! De winnaar in een staat krijgt volgens het principe 'winner takes all' alle kiesmannen van de betreffende staat.

Die kiesmannen krijgen zitting in het federale kiescollege. De kandidaat met de meeste kiesmannen in het kiescollege wordt de nieuwe president van de Verenigde Staten. Overigens kiezen de Amerikanen op 2 november ook een geheel nieuw Huis van Afgevaardigden, 34 (van de honderd) nieuwe senatoren en een groot aantal nieuwe gouverneurs.

Kiescollege

Elke staat brengt in het kiescollege een hoeveelheid leden in dat gelijk is aan het aantal senatoren (elke staat twee) en plus het aantal leden in het Huis van Afgevaardigden (afhankelijk van de bevolkingsgrootte van de staat). Dat betekent dat een bevolkingsarme staat als Wyoming drie kiesmannen levert (Wyoming heeft in het Congres twee senatoren en één afgevaardigde). Californië daarentegen, de staat met de meeste inwoners, levert 55 kiesmannen (overeenkomstig met twee senatoren en 53 afgevaardigden in het Congres).

In totaal bestaat het kiescollege uit 538 leden. De kandidaat die de meeste van kiesmannen achter zich in het kiescollege (270 of meer) mag zijn intrek nemen in het Witte Huis. Dit systeem brengt met zich mee dat de strijd zich toespitst op de staten met de meeste kiesmannen, zoals Californië.

Popular vote
Het gaat dus om de meeste kiesmannen, en dat betekent niet noodzakelijkerwijs ook de meeste stemmen op landelijk niveau. Het is mogelijk dat de verliezer in totaal méér stemmen (the popular vote) krijgt dan de winnaar.

Dat is in de geschiedenis een aantal keer voorgekomen, voor het laatst bij de vorige presidentsverkiezingen in 2000. Toen vergaarde de Democraat Al Gore landelijk meer stemmen dan de Republikein George W. Bush. Die had echter net iets meer kiesmannen in het kiescollege en dus won hij de verkiezingen.

De term 'landslide victory' houdt dan ook in dat een kandidaat een verpletterrende overwinning heeft gehaald in het kiescollege. Hij heeft in (bijna) alle staten gewonnen en heeft derhalve ook (bijna) alle kiesmannen achter zich. De kansloze verliezer kan in dat geval nog makkelijk 40 procent van de popular vote in de wacht hebben gesleept.

 


Hoofdpunten pagina
Overzicht dossiers



Inhoud dossier

Nieuwsoverzicht

Uitdagers van Bush
. Kerry
. Edwards
. Dean
. Overigen
. Uitvallers

Over caucusses en primaries

George W. Bush

Stem uit Amerika
. Columnoverzicht
. Over Tim Overdiek

Passie voor Amerika?

Lexicon

Agenda

Site tips