|
Protestanten
versus katholieken, de unionisten versus republikeinen en geweld
versus vrede: de Noord-Ierse samenleving is er één van diepgewortelde
tegenstellingen. Eind november 2003 gingen de Noord-Ieren voor de
tweede keer na ondertekening van het historische Goede-Vrijdagakkoord
naar de stembus. Hieronder een beknopte beschrijving van de complexe
Noord-Ierse geschiedenis.
1169 - 1800: kolonisatie Ierland
1800 - 1949: opsplitsing noord en zuid
1949 - 1994: verwijdering en toenadering
1994 - 1999: zelfbestuur Noord-Ierland
1999 - 2003: vallen en opstaan
1169 - 1800: kolonisatie Ierland
De wortel van het conflict tussen de voorstanders van één verenigd
Ierland (republikeinen) en de Noord-Ieren die per se bij Groot-Brittannië
willen blijven (unionisten) is terug te brengen tot 1169, wanneer
de Britten voet op Ierse bodem zetten en het land proberen te koloniseren.
In de eeuwen erna vergroot Engeland zijn invloed op het buureiland,
wat hand in hand gaat met de vervolging van Ierse katholieken.
In
1690 verslaat de Nederlandse stadhouder Willem III, getrouwd met
de Engelse kroonprinses Mary, de katholieke Jacobus II in de Slag
aan de Boyne. Sinds die overwinning wordt het overwegend katholieke
Ierland gedomineerd door protestanten.
Katholieken wordt het leven zuur gemaakt, met wetten die hen uitsluiten
van publieke functies en hun recht op onderwijs beperken. Hoewel
die wetten in de loop der tijd hun scherpe kantjes verliezen, blijft
de haat tussen katholieken en protestanten bestaan. Met de Act
of Union van 1800 wordt Ierland officieel onderdeel van het
Verenigd Koninkrijk.
Terug naar boven
1800 - 1949: opsplitsing noord en zuid
In de volgende eeuw ontstaan diverse partijen die zich hard maken
voor een onafhankelijk Ierland. Tijdens de Eerste Wereldoorlog,
in 1916, bestormen Ierse nationalisten in de paasweek belangrijke
publieke gebouwen in het centrum van Dublin en roepen de Ierse Republiek
uit; de Paasopstand. Dit mislukt en de meeste leiders worden geëxecuteerd.
De
actie brengt wel een hoop sympathie teweeg voor de zojuist opgerichte
Ierse republikeinse partij Sinn Fein. Die populariteit krijgt zijn
weerslag in de uitslag van de verkiezingen van 1918: Sinn Fein wint
73 zetels tegenover 31 zetels voor de unionisten.
Londen is niet zonder meer bereid de overheersing van Ierland op
te geven en er volgt een bloedige onafhankelijkheidsoorlog, die
eindigt in de opsplitsing tussen het noordelijk en zuidelijk deel
in 1920. In december 1921 ondertekenen Sinn Fein en Groot-Brittannië
het Brits-Iers verdrag, waarin de onafhankelijkheid van de Irish
Free State wordt beklonken, ook wel de Ierse Republiek. Noord-Ierland,
bestaande uit zes graafschappen in het noorden waar de bevolking
overwegend protestants is, blijft op uitdrukkelijk verzoek van de
bevolking onderdeel van het Verenigd Koninkrijk.
Ierse Republikeinen kunnen de opsplitsing echter niet verkroppen
en besluiten indien nodig met geweld te strijden voor één
onafhankelijk Ierland. Het Iers Republikeins Leger, de IRA, start
gewelddadige acties tegen het verdrag van 1921. In 1936 wordt de
IRA illegaal verklaard, maar het leger gaat ondergronds door met
zijn acties.
Terug naar boven
1949 - 1994: verwijdering en toenadering
Na de oprichting van de Ierse Republiek in 1949 volgt een periode
van relatieve rust. Dit verandert in 1968 wanneer de Noord-Ierse
katholieken een grote demonstratie organiseren tegen discriminatie
op het gebied van politieke en burgerrechten, huisvesting en werkgelegenheid.
De overwegend protestantse politie slaat de actie met harde hand
neer, wat in het verkeerde keelgat schiet bij de katholieken.
Het is het startschot voor dertig jaar van problemen, die in Noord-Ierland
de Troubles wordt genoemd. Paramilitaire organisaties bestrijden
elkaar met geweld. Het Britse leger, dat de situatie moet beheersen,
wordt het mikpunt van republikeinse aanslagen. In deze periode komen
3600 mensen om het leven.
In 1972 komt het tot een bloedbad in het Noord-Ierse Londonderry.
Britse soldaten openen het vuur op katholieke demonstranten, veertien
mensen worden gedood. Deze dag, die de geschiedenis ingaat als
Bloody Sunday, is voor Groot-Brittannië reden haar greep
op Noord-Ierland verder te verstevigen. Meer Britse soldaten betekent
nog meer republikeins geweld.
Na jaren van bloedige IRA-aanslagen, waarbij ook Engeland niet wordt
gespaard, en sektarisch geweld tussen republikeinen en unionisten,
zoekt Londen begin jaren negentig meer toenadering tot de Noord-Ierse
republikeinen. Dit resulteert in de Downing Street Declaration
van 1993, waarin Sinn Fein (de politieke tak van de IRA) en de radicale
unionisten worden uitgenodigd mee te praten over de toekomst van
Noord-Ierland, mits beide partijen afzien van geweld.
De goodwill ten opzichte van Sinn Fein komt in 1994 tot een
hoogtepunt als de VS een visum verleent aan Sinn Fein-leider Gerry
Adams. In antwoord daarop belooft de IRA al zijn wapens neer te
leggen. Voor het eerst in 22 jaar spreken Sinn Fein en Groot-Brittannië
weer met elkaar.
Terug naar boven
1994 - 1999: zelfbestuur Noord-Ierland
De IRA tekent in 1994 een staakt-het-vuren. Dat wordt kort onderbroken,
maar vanaf 1995 is het relatief rustig in Noord-Ierland - met uitzondering
van de bloedige aanslag in Omagh in augustus 1998. Diplomatiek overleg
komt op gang en de hoofdrolspelers in het Noord-Ierse conflict bereiken
een akkoord dat een einde moet maken aan het geweld en zelfbestuur
regelt.
In
1998 wordt dit vredesakkoord van Goede Vrijdag getekend. Noord-Ierland
blijft onderdeel van het Verenigd Koninkrijk, maar zal niet meer
direct vanuit Londen worden bestuurd. Ook worden er afspraken gemaakt
over ontwapening van paramilitaire groepen en het vrijlaten van
gevangenen. Het Britse leger zal zich terugtrekken uit Noord-Ierland
en er worden aanbevelingen gedaan voor hervorming van het voornamelijk
protestantse Noord-Ierse politiekorps.
Op 25 juni 1998 gaat Noord-Ierland naar de stembus en vanaf 1 december
1999 wordt Noord-Ierland bestuurd door een zelfstandige regering
onder leiding van de protestantse David Trimble (UUP). Voor het
eerst heeft ook Sinn Fein in Noord-Ierland politieke macht.
Terug naar boven
1999 - 2003: vallen en opstaan
Maar al gauw blijkt dat het wantrouwen tussen de verschillende politieke
partijen nog altijd groot is. De ontwapening van de IRA is daarvan
het middelpunt. De republikeinse paramilitairen geven maar weinig
inzicht in het wapenarsenaal, waardoor de ontwapening oncontroleerbaar
wordt. De moeizame hervorming van het politiecorps en de langzame
terugtocht van het Britse leger geven de republikeinen het gevoel
dat zij actief moeten blijven om de katholieke burgers te beschermen.
Uitoefening van het akkoord van Goede Vrijdag blijkt een proces
van vallen en opstaan.
In
februari 2000, na twee maanden zelfbestuur, neemt Londen de macht
weer over. De unionisten zien nauwelijks vorderingen in het ontwapeningsproces
van de republikeinen. De IRA zegt toe de wapens op te slaan op geheime
locaties, zodat er inspecties kunnen plaatsvinden. Eind mei 2000
krijgt het parlement zijn bevoegdheden terug.
De ontwapeningskwestie verlamt het parlement opnieuw in 2001. Trimble
legt zijn ambt neer, omdat hij weigert langer samen te werken met
een partij (Sinn Fein), die haar gewapende achterban niet onder
controle heeft. Zijn taken worden waargenomen door partijgenoot
Reg Empy. Om de zaak te redden schort Londen voor een periode van
24 uur het zelfbestuur op. Nadat een deel van het Britse leger heeft
beloofd zich terug te trekken uit Noord-Ierland, levert de IRA een
deel van de wapens in. In november keert Trimble terug als premier
van Noord-Ierland.
Maar de vrede blijkt opnieuw van korte duur. Londen schort het zelfbestuur
van Noord-Ierland voor de derde keer op in oktober 2002, nadat bij
huiszoekingen in de kantoren van Sinn Fein regeringsdocumenten zijn
gevonden. De unionisten beweren dat de geheime documenten door een
spion zullen worden doorgegeven aan de IRA.
In oktober 2003 hopen Londen en Dublin de partijen weer nader tot
elkaar te brengen met een nieuw verdrag over ontwapening. Dit akkoord,
waarin het herstel van het zelfbestuur wordt geregeld, en verkiezingen
moeten het vastgelopen vredesproces nieuw leven inblazen. Het komt
echter niet tot ondertekening van de overeenkomst. Het wantrouwen
onder de unionisten over de ontwapening van de IRA blijft te groot.
De geplande verkiezingen gaan wel door. Op 26 november 2003 ging
Noord-Ierland voor de tweede na ondertekening van het Goede-Vrijdagakkoord
naar de stembus.
De
bevolking koos voor een harde lijn. De twee meest radicale partijen
kwamen als winnaar uit de bus. De unionistische partij DUP onder
leiding van Ian Paisley klom met tien zetels naar een totaal van
dertig en wordt daarmee de grootste partij in het Noord-Ierse parlement.
De politieke tak van de IRA, de nationalistische Sinn Fein onder
leiding van Gerry Adams, won zes zetels en mag nu met 24 vertegenwoordigers
plaatsnemen in Stormont.
De
DUP heeft altijd geweigerd om samen te werken met de nationalisten
en wil een aantal afspraken in het Goede-Vrijdagakkoord wijzigen.
Sinn Fein wil vasthouden aan het akkoord. Londen en Dublin zullen
alles op alles zetten om de hoofdlijnen overeind te houden, maar
de afspraken zullen onder druk van de DUP waarschijnlijk wel ter
discussie worden gesteld. Zeker is dat de uitslag van de verkiezingen
weinig hoop biedt voor het doorbreken van de impasse waarin het
Noord-Ierse zelfbestuur sinds de oprichting verkeert.
Terug naar boven
|